Zeeuwse Reflexen

 Op de cover liggen twee walvissen (?) met hun staarten naar elkaar te zwaaien. Inderdaad, ze zijn niet de kleinsten in het Zeeuwse kunstenland. Links J.C. van Schagen (Vlissingen 1891 – Deventer 1985), dichter, prozaïst en beeldend kunstenaar. Rechts Jan Heyse  (Zierikzee 1882 – Veere 1954), schilder en graficus. In 1953 sloegen ze de handen ineen, Van Schagen de tekst en gedichten, Heyse de illustraties. Ze formuleerden dat zo: Zeeuwse Reflexen, door J.C. van Schagen met begeleiding van Jan Heyse.

Het gaat me veel te ver om hier een poging te doen de biografieën van de twee Zeeuwse corifeeën neer te zetten. Ondoenlijk in dit korte bestek van mijn weblog. Ze zijn onderwerp geweest van diverse, meer of min uitputtende studies. Ik beperk me tot twee citaten.

Ingmar Heytze schreef in de inleiding van de bloemlezing van Van Schagens gedichten Ik ga maar en blijf (Van Oorschot): ,,Er zijn ook dichters die, vrijwillig of niet, al bij leven beginnen met vervagen. J.C. van Schagen was zo’n dichter. Je moet van hem houden zoals je ook supporter kunt zijn van FC Utrecht; op karakter, niet vanuit al te hooggestemde verwachtingen.” Ik kies dat citaat om de dichter uit het al te nauwe Zeeuwse circuit te trekken. En omdat er sprake is van ‘op karakter van iemand houden’, dat vind ik bijzonder sympathiek klinken.

Jan Heyse is net zo’n gevestigde naam. In het begin van de 20ste eeuw draaide hij mee in de kring van Jan Toorop en exposeerde in het beroemde zaaltje op het duin van Domburg. Truus Ruiter schreef in de Volkskrant van 22 juli 1996 over hem: ,,Heyse, die een rustige, zwijgzame man was – hij werd in Veere waar hij woonde ‘Jan de Zwijger’ genoemd -, heeft zich zijn hele leven, zonder veel pretenties toegelegd op het verfijnen van zijn techniek. Hij leefde sober, fietste bijna dagelijks vanuit Veere naar Domburg of dwaalde over zijn geliefde Walcheren. Als zijn dochtertje hem op weg naar school tegenkwam, kon er geen groet vanaf: in gedachten verzonken als hij was, zag haar domweg niet.”

Ik had de twee mannen wel eens samen willen zien, hoe ze aan Zeeuwse Reflexen werkten. Maar dat kan niet meer. ,,Deze uitgave komt juist op tijd”, zegt de flap. ,,Al werd de tekst geschreven vóór de ramp die Zeeland trof, de zo duidelijk daaruit sprekende liefde voor hun streek zal de zwaargetroffenen tot steun zijn en de andere landgenoten nog beter de waarden doen beseffen die Zeeland in ons volksgeheel vertegenwoordigt.” Verder staat er: ,,De dichter J.C. van Schagen, Zeeuw in hart en nieren, en de tekenaar Jan Heyse, van wie hetzelfde kan worden gezegd, hebben in dit bescheiden boekje een waardig monument voor Zeeland opgericht.”

Bepaald geen kleine woorden. Zestig jaar later lijkt Zeeland wat vervaagd – dammen, bruggen en internet hebben de wereld in het deltagebied gebracht. Toch – of juist daardoor – krijg ik nog met enige regelmaat de vraag: jij bent een geboren Zeeuw, wat is nou het specifiek Zeeuwse aan Zeeland, aan de Zeeuwen? Altijd een lastige vraag. Tot ik dit boekje in handen kreeg, en na een mooie schets van Veere en gedichten over meeuwen en de Domburgse nacht in de armen van Geerse viel. Ik was hem uit het zicht verloren. Maar voor mij is hij nu terug.

Pagina 38-39: ,,De fundamentele zwakheid van den Geerse, de zwakheid van zijn bloed, die zwakheid, waarom we hem soms zo haten. Die weerloosheid, die onnozelheid, die argeloosheid bij al zijn slimheid, zeker, het kan heel beminnelijk zijn, maar het is in de grond niet dan zwakheid, een zwakheid, die zich altijd weer opnieuw laat duperen en met open ogen soms, die altijd weer open ligt voor iedere exploitatie en iedere kwade trouw. Die wijkt en toegeeft lang reeds vóór het hoeft, die zwakheid is het, die je driftig maakt om te zeggen: slá dan toch, verwéér je, bijt, lieg, laster, bedrieg terúg en betaal met gelijke munt! Maar altijd eindigt het dan weer met het verdrietig verwijt: maar dat kún je immers niet. Het is de zwakheid, die geen neen zeggen kan, de zwakheid van je Moei-Jans – en hóe voel je haar in je eigen bloed! -, die met een glimlach erkende, dat ze ’t immers altijd met de laatste spreker eens was (overigens ging ze even goed haar eigen gang).”

Wat een feest dat ik deze regels weer tegenkwam, en dat ik ze op dit weblog mag laten lezen. Er zit zelfs een stukje Shaffy in.

J.C. van Schagen: Zeeuwse Reflexen – Arnhem; 1953, Uitgeverij Van Loghum Slaterus; eerste druk; illustraties van Jan Heyse; proza en poëzie; orig. losse stofomslag; 80 p. [27209]; 19,- euro bij De Boekenbeurs in Middelburg.

 

Dit bericht is geplaatst in Antiquarisch, Proza met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.