Buitenplaatsen in Noordgouwe

buitensLommerrijk, welgesteld, statig. Dan denk je al gauw aan het Walcheren dat ooit de Tuin van Zeeland werd genoemd. Van de talrijke buitens zijn er in de kuststrook nog maar enkele over. De Vecht heeft ook de naam, daar struikel je nog over de ene na de andere buitenplaats. Het Schouwse Schuddebeurs wordt niet vaak genoemd. Beetje onbegrijpelijk is dat wel. Ik heb er wel gewandeld, over de Donkereweg, langs Mon Plaisir. Voor je er erg in hebt verkeer je in de 18e eeuw. Lommerrijk en statig, zo stel ik me het leven op de buitenhoven van toen voor. Martin van den Broeke schreef de geschiedenis van het rijke leven in die hoek van het eiland: Buitenplaatsen in Noordgouwe. Het verleden komt zo weer eens heel dichtbij.

Hostellerie Schuddebeurs stamt rechtstreeks af van de herberg met die naam, die in 1658 werd gesticht. Zo nemen we meteen maar weer bijna vier eeuwen geschiedenis op de schouders. Maar daar ligt wel de kiem van de buitenhoven. Eerst waren er herbergen, omdat er publiek was en omdat ze publiek trokken. De streek bij Noordgouwe was lommerrijk, lag dicht bij de stad Zierikzee en was goed bereikbaar. Dat zijn de belangrijkste elementen die eraan bijdroegen dat er in de 17e eeuw herbergen – voor dagrecreanten – en later buitenplaatsen werden gevestigd. Lommerrijk, dan moeten we vooral aan boomgaarden en bossen denken. Pagina 37: ,,Hoezeer het uiterlijk van Noordgouwe in de loop van de tijd ook is veranderd, het groene karakter maakt het nog steeds tot een bijzondere plek in het verder zo open landschap van Schouwen-Duiveland. Hoewel het meeste groen tegenwoordig deel uitmaakt van de buitenplaatsen, waren het in vroeger tijden fruitboomgaarden en productiebossen die de streek zijn aantrekkingskracht gaven. Samen met de herbergen maakten deze Noordgouwe en met name het gebied rond Schuddebeurs tot een aangenaam doel voor een dagje uit.”

Van den Broeke gaat stapsgewijs en secuur te werk. In hoofdstuk 3 vertelt hij over de 17e eeuw, toen de groeiende welvaart vertier in de buiten binnen bereik bracht. De buitenverblijven waren nog bescheiden, soms niet meer dan een kamer op een boerderij. Maar allengs ging het meer richting buitenhuis, waar ook overnacht kon worden. In hoofdstuk 4 komt de absolute bloeiperiode van het buitenhuis tussen 1700 en 1780 aan bod. Ruim dertig buitens waren er toen, waarvan er nu nog zeven over zijn. De variatie was groot (pagina 115): ,,.van eenvoudige koepels of ‘speelhuizen’ in een boomgaard tot en met grote landhuizen in een park met lanen en vijvers.” Toen het na 1750 beduidend slechter ging met de handel en visserij van Zierikzee, leidde dat niet meteen tot leegstand en afbraak van de rijke buitens. De verklaring moet volgens de auteur gezocht worden in ‘het gebruik’ van de buitens: ,,hun eigenaren plantten er hakhoutbossen en plantages voor opgaande bomen en gingen zich met meer nadruk bezighouden met de landbouw.” Meer werk dan plezier en lust, dus. Maar het ‘andere’ gebruik betekende niet meer dan uitstel van executie. Ruwweg vanaf 1790 werden er buitenverblijven gesloopt, zoals Landrust in de Sint Joospolder, Hofzigt aan de Donkereweg, het huis Den Thoorn. In 1857 waren er nog acht buitens over. Wat de ‘overblijvers’ betreft: dat waren niet langer op de productie gerichte landgoederen (bos- en landbouw), maar veeleer landhuizen met in landschapsstijl aangelegde tuinen, ter vermaak van de elite.

Inundatie en Watersnoodramp waren in de 20ste eeuw bepalend (hoofdstuk 6). In de herinrichting kreeg Schuddebeurs opnieuw een groen karakter. Recreatie ging een rol spelen, de tram maakte het lommerrijke gebied goed bereikbaar, er kwam een jeugdherberg op buitenplaats Weelzicht.

Van den Broeke in zijn slotwoord (pagina 200): ,,Tot slot mag ook, of misschien vooral, het feit dat de historie nog zo levend aanwezig is in Noordgouwe als iets opmerkelijks worden gezien. Waar bijna overal op Schouwen-Duiveland het landschapsherstel na de Watersnoodramp de historie voor een groot deel wegvaagde, zijn van Noordgouwe nog op hoofdlijnen de contouren van de laatmiddeleeuwse polder te herkennen, het wegenpatroon is nog grotendeels aanwezig en, meest bijzonder, de buitenplaatsen met hun bossen zijn er nog. En de geschiedenis heeft laten zien dat dat geen vanzelfsprekendheid is.” En ook: ,,Eeuwen van geleidelijke ontwikkeling maar ook grote rampen hebben hun sporen nagelaten maar laten onverlet dat het huidige landschap een door vele generaties mensenhanden gevormd geheel is.”

Zo voelt het ook, als je daar loopt over de Donkereweg en over de dijk net buiten het bosgebied. Een enclave in een verder leeg en plat poldergebied – dat blijft bijzonder.

Martin van den Broeke schreef dit boek met medewerking van Sander den Haan. Met de chronologische opzet, een goed register en een overzichtskaart van de verdwenen en nog bestaande landhuizen kan het dienst doen als naslagwerk. Uitstekend dus. Maar die kwalificatie geeft wat mij betreft meteen aan dat Van den Broeke wel afstand houdt. Misschien is het wat ik nu zeg erg trendy, maar ik mis een beetje ‘de mens’ in het geheel. Die buitenhuizen werden toch door mensen bewoond, vormden de neerslag van hun wel en wee. Dat gevoel zou volgens mij meer in het boek hebben mogen zitten.

Martin van den Broeke (met medewerking van Sander den Haan): Buitenplaatsen in Noordgouwe. Hofsteden, lusthoven en landhuizen – Uitgeverij Eburon (www.eburon.nl), 297 pagina’s, 27,99 euro.

 

 

********************************************************************

Uit de PZC, editie Schouwen-Duiveland:

Boek Martin van den Broeke voert lezer langs grillige ontwikkeling van
buitenplaatsen rond Noordgouwe

door Esme Soesman
NOORDGOUWE – Wie de prachtige gevels van nog bestaande buitenplaatsen als Heesterlust en Mon Plaisir in Schuddebeurs ziet, maakt zich al snel een voorstelling van een welvarend leventje vol plezier.
Auteur Martin van den Broeke uit Den Haag rekent met zijn boek Buitenplaatsen in
Noordgouwe met dat clichébeeld van ‘pronkpaleisjes’ af. ,,Buitenplaatsen waren
in de 17e, 18e eeuw primair bedoeld als inkomstenbron, als basis voor het
vermogen van de eigenaar”, weet hij uit de archieven. ,,Omdat het gemeentearchief
van Schouwen-Duiveland zo rijk is, kun je onderbouwen wat de functie van
buitenplaatsen was in het economisch verkeer.”
Van den Broeke (Grijpskerke, 1975) verricht al vele jaren onderzoek naar buitenplaatsen, vooral in Zeeland. Waar zijn fascinatie vandaan komt, kan hij niet verklaren. Maar de liefde bloeide al op jonge leeftijd op. Ouders van een klasgenootje op de lagere school waren huisbewaarders van ’t Munnikenhof in zijn woonplaats. ,,Moet je je voorstellen. Dan ben je acht, negen, tien jaar en dan heb je een kasteel om in te spelen.” Die interesse hield bij Van den Broeke nooit meer op en leidde al vaker tot publicaties. In zijn bijna 300 pagina’s tellende boek over buitenplaatsen in Noordgouwe voert hij de lezer mee door eeuwen ontwikkeling: van het ontstaan van de eerste buitenplaatsen in de vroege zeventiende eeuw tot de eerste decennia van de twintigste eeuw. In de loop van die eeuwen hebben zeker dertig buitenplaatsen in de polder van Noordgouwe gelegen, waarvan er anno 2014 nog zeven (geconcentreerd gelegen rond buurtschap Schuddebeurs) bestaan. ,,Er zit dynamiek in. Hoe komt het dat ze verschijnen en weer verdwijnen?”, omschrijft
hij de achtergrond van zijn publicatie. De standaardgedachte is altijd dat in de zeventiende eeuw de rijken de stad ontvluchtten om hun intrek te nemen in een ‘herenkamer’, later een landgoed, ergens buiten. Eind van de achttiende eeuw was het met die ontwikkeling – het geld was op – weer gedaan. ,,Het grappige is dat het verhaal net even anders is als je de details in een regio bekijkt. De ontwikkeling in Noordgouwe is heel grillig.” Huizen fungeerden het ene moment als boerenwoning, het andere moment als buitenverblijf. Ook veranderde de betekenis van buitenplaatsen door de eeuwen heen. Dienden ze eerst vooral als geldbelegging en inkomstenbron (pacht, houtteelt et cetera), later ging men meer
en meer ook van het buitenleven genieten.

***********************************

Tekst van de auteur/uitgever:

Noordgouwe is al eeuwenlang een geliefde plaats voor stedelingen om zich te vermaken: al vier eeuwen geleden openden enkele herbergen daar hun deuren en niet veel later vestigden welgestelde inwoners van Zierikzee zich er op hun buitenverblijven. Van de meer dan dertig buitenplaatsen die ooit in deze streek hebben gelegen, bestaan er tegenwoordig nog zeven. Ze zijn getuigen van de rijke historie van dit gebied.

Dit boek beschrijft het ontstaan en de ontwikkeling van buitenplaatsen rond Noordgouwe vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot in de twintigste eeuw. Tal van archiefbronnen vertellen hun verhaal. In de zeventiende en achttiende eeuw waren het kooplieden en stadsbestuurders die naar Noordgouwe trokken om daar van het buitenleven te genieten. Maar de boomgaarden, hakhoutbossen en vruchtbare akkers waar die buitenplaatsen uit bestonden, moesten ook inkomsten opleveren. Plezier en profijt gingen dus hand in hand.

In het begin van de negentiende eeuw werden de meeste buitens gesloopt of kwamen in handen van welgestelde boeren die er zelf gingen wonen. Een kleine groep onderling verwante geslachten uit Zierikzee hield in de negentiende eeuw een zetel op het platteland. Hun parken gaven Schuddebeurs een voorname uitstraling en ook nu nog vormen ze een groene oase in de weidse polders van Schouwen-Duiveland. Opkomst, bloei en verval van de buitenplaatsen in Noordgouwe zijn nauw verbonden met de lotgevallen van Zierikzee, maar even sterk met die van het platteland. Rusten en werken waren twee kanten van het leven op het platteland die elkaar op de buitenplaatsen ontmoetten.

 

Dit bericht is geplaatst in Architectuur, Monumenten, Zeeuws erfgoed met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.