Bange jaren

bange-jaren-omslag-loresAl enige jaren… Nee, eigenlijk al heel lang heb ik een fascinatie voor de Eerste Wereldoorlog. Met dank aan mijn opa Tol. Hij vertelde hoe hij in de jaren ’14-’18 wacht liep langs de elektrische dodendraad en daar ’s morgens de hazen en konijnen opraapte, die geëlektrocuteerd waren. Ik was te jong om zijn verhalen op waarde te schatten. Maar ze zitten in mijn herinnering. Net als mijn schoongrootvader, die daadwerkelijk bij Luik en in Antwerpen heeft gevochten, naar Nederland vluchtte en daar is blijven hangen. Zo kan een verre oorlog heel dichtbij zijn. Ik ben dan ook zeer content met het boek Bange jaren van André Bauwens en Miranda Haak: dankzij hen kan ik beter meeleven met mijn opa’s.

Het boek wordt woensdag 30 april 2014 in Groede gepresenteerd. Ik had er graag bij willen zijn, maar dat kan helaas niet. Bange jaren – Zeeuws-Vlaanderen en de Eerste Wereldoorlog: dat is de volledige titel. Een prima opgezet boek. We beginnen internationaal, het kruitvat Europa. Dan komen we bij het neutrale Nederland, dat wel mobiliseerde. Toen Duitsland België binnenviel werden er natuurlijk veel militairen naar de zuidgrens gedirigeerd. In Zeeland ging de meeste aandacht naar Walcheren en dan vooral Vlissingen. Zeeuws-Vlaanderen, zo werd geoordeeld, was toch niet te verdedigen. Dat klinkt vrij realistisch. Maar, de Duitsers lieten Nederland onberoerd. Dus werden er wel compagnieën gelegerd, die de grens moesten bewaken.

Ik heb het boek gelezen met het idee in mijn achterhoofd: wat moeten die Zeeuws-Vlamingen van toen van de één op de andere dag in een totaal andere wereld terecht zijn gekomen. Ga maar na: ze leefden hartstikke geïsoleerd, kwamen nauwelijks buiten hun eigen dorp of polder, hadden geen elektriciteit, alleen de krant – als je die kon betalen – bracht wereldnieuws.

Dan komen eerst die ‘Hollandse’ militairen, die toch een beetje anders waren en raar praatten. Ze werden ondergebracht in scholen en schuren, later werden er barakken en tentenkampen gebouwd. Officieren werden bij particulieren ingekwartierd. Dat betekende al een hele inbreuk op de dagelijkse gang van zaken. Bovendien werd in Zeeuws-Vlaanderen de staat van beleg afgekondigd, zodat militaire autoriteiten het er voor het zeggen hadden. Je kon, als je je misdroeg of smokkelde, worden ‘uitgezet’ – voor drie maanden of langer verbannen worden buiten Zeeuws-Vlaanderen en later – toen voor heel Zeeland de staat van beleg was afgekondigd – buiten de provincie.

Vervolgens kwamen er vluchtelingen uit België de grens over. De Duitse inval was op 4 augustus 1914. Op dat moment waren er Duitse en Oostenrijkse badgasten aan de Belgische kust, die opeens ongewenste gasten waren. Naarmate de Duitsers oprukten kwamen er Belgen. Eerst de gegoeden. Uiteindelijk hele dorpen. De grote klap kwam toen Antwerpen werd beschoten: naar schatting trokken 450.000 Belgen de Zeeuws-Vlaamse grens over. Onder hen tienduizenden militairen, ook Engelsen, die meteen hun wapens moesten inleveren. Het is moeilijk voor te stellen, hoe die enorme schare vluchtelingen is opgevangen en te eten heeft gekregen. Maar het gebeurde.

De schrijvers maken ruim gebruik van de Middelburgsche Courant, die over de toestanden in Zeeuws-Vlaanderen berichtte. Dat levert – hulde aan de krant – een levendig boek op. Ook de Breskensche Courant wordt geciteerd, bijvoorbeeld die van 17 oktober 1914: ,,Daar is op het oogenblik in dezen Europeeschen oorlog niets dat zozeer onze aandacht bezig houdt dan de vluchtelingen kwestie. (…) Op alle denkbare vervoermiddelen kwamen ze onze plaats binnen. En op de haven bleef het maar vol. Enkele sleepbootjes die af en aanvoerden, brachten wel eenige ontlasting, maar het was in dien overvloedigen stroom weinig te bemerken. Alleen de provinciale booten en de Administrateur De Bats voerden belangrijke hoeveelheden af. Eene beschrijving te geven van de ontzettende beweging die in al onze dorpen en op het haventerrein plaats greep, zou niet anders zijn dan eene herhaling van wat Maastricht en Roozendaal en zoovele andere plaatsen te aanschouwen gaven. Het gaat bovendien de macht van onze pen te boven.”

In de loop van 1915 bouwden de Duitsers van het drielandenpunt in Vaals tot Knokke aan de Belgische kust een elektrische draad. Daar stond 2000 volt op, vandaar: de doodendraad. Om smokkel tegen te gaan, om te voorkomen dat Duitse deserteurs naar het neutrale Nederland vluchtten, om de illegale briefpost van en naar het front te stoppen. Of de draad effectief was, valt te betwijfelen. Er werd nog steeds gesmokkeld. Maar dat de draadversperring de illegale handel bemoeilijkte, dat zal zeker. Hoe dat ook zij, voor veel grensbewoners zag het dagelijks leven er opeens anders uit. Dorpen werden doorsneden, er staan voorbeelden in het boek van Nederlanders, die afgesneden werden van familie en kerk. Ook ontstonden er merkwaardige stukjes niemandsland, daar waar de draad niet precies de landsgrens volgde. In totaal werden er bijna honderd slachtoffers geteld.

Ten slotte hadden de Zeeuws-Vlamingen te maken met bommen en granaten. Geallieerde vliegers vergisten zich met enige regelmaat, er vielen bommen op Sluis, Axel en andere plaatsen. West-Zeeuws-Vlaanderen was aanvliegroute van Engelse vliegtuigen, die de Duitse bases in Brugge en Zeebrugge bombardeerden. Het Nederlandse luchtruim werd dus vaak geschonden. Het Nederlandse leger beschikte niet over luchtafweergeschut. De Duitsers stelden hun afweer zo dicht mogelijk bij de Nederlandse grens op, zodat er nogal wat granaten daarvan op Zeeuws-Vlaanderen terecht kwamen. De vliegtuigen, die een noodlanding moesten maken in Zeeuws-Vlaanderen, waren meteen een publieke attractie. Nog zo’n fenomeen: zeemijnen. De strijdende partijen en ook Nederland hadden hele mijnenvelden in zee gelegd. Duizenden spoelden er op de Nederlandse kust aan. In Breskens werd een inzamelingsdepot ingericht. De Breskens 19 voer op een mijn, er waren geen overlevenden.

Toen uiteindelijk op 11 november 1918 de wapenstilstand werd gesloten, was voor Zeeuws-Vlaanderen de spanning nog niet voorbij. België maakte aanspraak op het gebied. Succesvolle Nederlandse diplomatie in Parijs voorkwam dat. De schrijvers weten aannemelijk te maken dat de anti-annexatiebeweging in Zeeuws-Vlaanderen een van bovenaf geregisseerde actie was.

Toen kwam er, denk ik, eindelijk rust in de streek. De draad opgeruimd, de militairen weg. Er bleven enkele Belgische vluchtelingen achter. Ik heb de broers en zus De Roeck in Groede nog gekend. Zij liggen in een stil hoekje van de katholieke begraafplaats daar.

Bange jaren is een onderhoudend boek. Grote delen van het verhaal kenden we natuurlijk wel. Maar Bauwens en Haak slagen erin de Groote Oorlog verrassend dichtbij te brengen.

André Bauwens en Miranda Haak: Bange jaren. Zeeuws-Vlaanderen en de Eerste Wereldoorlog – nummer 43 in de serie Bijdragen tot de Geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen, 408 pagina’s, 21,95 euro. Het boek wordt woensdag 30 april gepresenteerd in de Grote Kerk van Groede.

Dit bericht is geplaatst in Eerste Wereldoorlog met de tags , . Bookmark de permalink.

0 reacties op Bange jaren

  1. Jan Portengen schreef:

    Ik ben in het bezit van een foto gemaakt door de fotograaf Bakker te Oostburg omtrent 1916-1919 voor een hoekhuis (Bierhuis?) ergens daaromtrent met een groepje soldaten waaronder mijn vader Jacobus Portengen. Het lijkt me dat uw boek daarover gaat en wil het daarom graag hebben (kopen). Mocht u er prijs op stellen de foto te zien dan kan ik u die doen toekomen. Mij interesseert het namelijk waar dat huis gestaan heeft.

  2. Jan van Damme schreef:

    Beste Jan Portengen,

    het boek is te koop in en via de boekhandel en via de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen.
    Heeft u die foto digitaal beschikbaar en kunt mij die digitale versie mailen? Dan plaats ik de foto op dit weblog.

    Vriendelijke groet, Jan van Damme

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.