Nehalennia (najaar 2013)

nehalenniaNehalennia plaatst dit jaar foto’s voorop van Zeeuwse volkscultuur. Overigens zonder dat die foto gevolgd wordt door een artikel ín het tijdschrift. Het is een aanpak, die ze geloof ik al jaren hebben bij Nehalennia. Het herfstnummer is getooid met een foto van het krulbollen op de buitenbaan in IJzendijke (foto Ria Brugge). Het beeld spreekt me aan. Een jaar geleden, toen het krulbollen net op de lijst van het Nationale Immateriële Cultureel Erfgoed was gezet, ben ik op de binnenbanen van IJzendijke gaan kijken. En mocht ik zo’n houten bol – net een grote zware kaas – laten rollen. Ik vond het een belevenis.

Mogelijk werkt dat bij veel lezers zo. Je ziet een kop, een foto. Die haakt ergens aan iets wat je zelf hebt meegemaakt. Dan ga je het eerder lezen. Naar die foto van het krulbollen heb ik met studie gekeken. Toen ik in IJzendijke was, lag de gemiddelde leeftijd van de deelnemers duidelijk boven de vijftig. Op deze foto zie je geen vrouwen, maar die doen weldegelijk mee. Fysieke kracht is bij deze tak van sport niet doorslaggevend, denk ik. Nog altijd zie ik die Vlaamse mevrouw voor me, die haar bol bijna dwangmatig met een soort grote theedoek van zandkorrels ontdeed. Veel Vlamingen waren er. Zij wijken uit naar Zeeuws-Vlaamse verenigingen, omdat die – naar ik inschat – blij zijn met elk lid. In een krimpregio hebben ze al moeite genoeg om voldoende spelers bij elkaar te krijgen. Gezellig was het. Binnen wordt in kooien gespeeld, om toeschouwers te beschermen tegen uit de koers geraakte bollen. Echte goede spelers durven zo’n ding ook door de lucht te gooien, om de bol van een tegenstander bij de staak weg te kaatsen. Het wordt een volkssport genoemd – dat zal wel kloppen. Een wedstrijd waarbij je een kilo ham, een kip of een fles jenever kunt winnen, is voor de ‘gewone mens’ bestemd. Nee, ik heb maar twee keer gegooid, het resultaat was niet prijswinnend.

Het artikel, dat me ín het jongste Nehalennianummer meteen trok, was dat van Jan J.B. Kuipers over ‘Zeeuwse nozems in de vroege jaren zestig’. De nozemcultuur heeft me altijd geïntrigeerd. Vanaf 1968 heb ik nog een snufje meegekregen, op het KWL (Koninlijk Wilhelmina Lyceum) in Oostburg. Hoewel, de sfeer was toen al veel meer hippie dan nozem. Lang haar, wijde pijpen, boots, pukkels – van die groene legertasjes waar je boeken niet in pasten. Ik kwam uit een net dorpsgezin, en heb hooguit een beetje tegen die jongerencultuur aangeleund. Niet echt aan meegedaan dus. Wel lang haar laten groeien, en dat heb ik sindsdien maar zo gelaten.

Jan Kuipers schrijft over de beginjaren zestig, toen de bromnozems de voorpagina van de PZC haalden: stadsbesturen zonnen op ‘verscherpte maatregelen’ tegen de jongeren met hun lawaaierige brommers. Vetkuiven, zwartleren jacks, petticoats. En Duitse jongens, die net iets meer in trek waren bij de Zeeuwse schonen. Florets, Zündapps, Kreidler Florets, dat waren de merken. Provo’s kozen vanaf circa 1966 voor Puch of Tomos. Subculturen, die zich afzetten tegen het ouderlijk gezag. Er is sindsdien niet zoveel veranderd, denk ik. Kuipers heeft het in dit artikel alleen over de nozem. In zijn boek Brommers, gitaren en spandoeken (2005) beschreef hij de jongerencultuur veel uitgebreider.

Het bulletin van de Werkgroep CultuurHistorie van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen en de Zêêuwse Dialect Verênigieng bevat verder een ruim interview met Pau Heerschap over dialecten op Goeree-Overflakkee. Jaco Simons schrijft over de vermogensheffing, die in 1622 werd ingevoerd. Hij haalde er de 23 rijkste Middelburgers uit. Het gros blijkt afkomstig uit Vlaanderen en Brabant. Ronald Rijkse is toe aan de vierde aflevering van zijn serie over de gebroeders Van de Venne in Middelburg. In het vorige nummer begon hij medewerkers van de dichtbundel Zeeusche Nachtegael te introduceren. Die naamlijst zet hij nu voort, met dichters als Jacob Cats (uiteraard), Adriaen Hoffer en Adriaen Vallerius – van de Nederlandtsche gedenck-clanck uit 1626.

In het dialectdeel van het tijdschrift wordt stilgestaan bij de eerder dit jaar overleden dialectschrijver Joop van Zijp. Hij werd bekend door zijn rubriek in de PZC. Zijn verhaal ‘De petrolieman’ is als een soort eerbetoon opgenomen. Ik moest daarbij aan Merien denken. Die reed in de jaren zestig nog met paard en kar door Groede. Petroleum – je kunt er tegenwoordig bijna niet meer aankomen.

Nehalennia. Archeologie, cultuurhistorie, streektaal en volkscultuur van Zeeland en Goeree-Overflakkee. Bulletin van de Werkgroep CultuurHistorie van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen en de Zêêuwse Dialect Verênigieng – aflevering 181, herfstnummer, september 2013, een los nummer kost 7,50 euro.

 

Dit bericht is geplaatst in Heemkunde, Tijdschriften, Zeeuws erfgoed met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.