Zeeuwse schrijvers (218): Henry Havard (1)

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 218: Henry Havard.

Het gaat om ‘Le coeur du pays’, en het hart van Nederland is in zijn ogen, opmerkelijk genoeg, vooral Zeeland, al worden ook hoekjes Zuid-Holland en Brabant aangedaan.

Standbeelden gevraagd voor Henry Havard

Mario Molegraaf

Hij staat niet eens in de Zeeuwse Encyclopedie, maar hij verdient standbeelden in alle Zeeuwse steden. In het werk van Henry Havard (1838-1921) bereikt namelijk de reisliteratuur over Zeeland een zeldzaam hoogtepunt. De Fransman Havard was geïnteresseerd in de Nederlandse kunst. Hij schreef boeken als ‘Les merveilles de l’art Hollandais’ en ‘Histoire de la faïence de Delft’. Maar hij bereisde Nederland ook en beheerste de Nederlandse taal. Voldoende in ieder geval om ergens uit een Zeeuws raam te roepen: ‘Blaas-poepen een beetje musiek asje blieft!’ Waarop ‘la valse célèbre du Beau Danube blue’ weerklinkt, Strauss’ beroemde wals ‘An der schönen blauen Donau’, indertijd nog fonkelnieuw.

Destijds veel gelezen werd Havards serie van drie reisboeken ‘La Hollande Pittoresque’. Deel één, met de ‘Voyage aux villes mortes du Zuiderzee’, geniet ook tegenwoordig nog een zekere faam, zeker in de beschreven streken. Het derde en laatste deel, verschenen in 1878, raakte daarentegen in vergetelheid. Het gaat om ‘Le coeur du pays’, en het hart van Nederland is in zijn ogen, opmerkelijk genoeg, vooral Zeeland, al worden ook hoekjes Zuid-Holland en Brabant aangedaan. ‘Vooruit!’ begint hij zijn reisrelaas, natuurlijk met de Franse vertaling erbij, ‘c’est-à-dire: En avant!’

We gaan naar Schouwen, een rijk eiland naar zijn zeggen, waar ze ‘la garance’ verbouwen, meekrap. Hij verbaast zich over de geschiedenis van Zierikzee, meer dan duizend jaar oud, ‘dat is veel, zeker op deze onzekere en veranderlijke aarde’. Wel levert hij kritiek op de lelijke nieuwe kerk die naast de oude toren is verrezen. Ze hadden, vindt hij, de ruïnes moeten laten staan van de in 1832 afgebrande kerk. Natuurlijk gaan we langs in Domburg, gekarakteriseerd als ‘le Scheveningue zélandais’. Veere wordt aangedaan, ‘vol charme voor de kunstenaar’. En het Middelburgse stadhuis wordt tot ‘een echte parel’ uitgeroepen. Pittoresk Zeeland, in alle steden en dorpen.

Maar niet alleen dat, Harvard had ook oog voor de wonderwerken van ‘waterstaat’. Deskundig en gedetailleerd informeert hij over dijken, dijkwerkers en hun jargon, over ‘zinkstukken’, ‘puthaken’ en ‘polderjongens’. En het wordt nog mooier, hij keert terug naar onze streken, maar daarover een volgende keer.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.