Zeeuwse schrijvers (216): Pem Sluijter

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 216: Pem Sluijter.

Haar vader was indertijd als marineofficier werkzaam in Vlissingen. In één gedicht, ‘Scheldestroom’, gaat ze terug. Eindelijk het licht van Walcheren in plaats van dat van Attika.

Opmaat tot zeemansleven
Pem Sluijter

door Mario Molegraaf

Jaartal nummer twee is 1944. Het eerste gedicht in de eerste bundel van Pem Sluijter heet ‘Moerheim 1944’. We gaan, volgens een noot, naar een plek in Dedemsvaart waar ‘onderduikers en evacués’ een onderdak vonden. ‘Huis aan de vaart/ waar de
ingekwartierde vijand/ laarzen draagt,’ blikt ze terug. Zelf was ze nog heel jong, en banger ‘voor de kleur van kikkers in de kleur van plompeblad’ dan voor die vijand.
Jaartal nummer één was 1939 geweest, ik vond een advertentie in de krant. De heer en mevrouw Sluijter-Weeldenburg, woonachtig Badhuisstraat 29, Vlissingen, lieten de wereld weten dat op 15 mei 1939 in het Gasthuis te Middelburg hun dochter Pem
was geboren.
Jaartal nummer drie is dan 1997, zo lang liet het dichterlijke debuut
van Pem Sluijter op zich wachten, Roos is een bloem, prompt bekroond met de C.
Buddingh’-prijs.
Een Zeeuwse dichteres, maar ze liet Zeeland al snel achter zich, om op 18
december 2007 in Den Haag te overlijden. Ze publiceerde nog een tweede reguliere
dichtbundel, Het licht van Attika, in 2004. Verschillende gedichten daaruit waren
eerder te lezen in een bibliofiele uitgave, Nachtbraak, waarin haar teksten foto’s van
Bas Roodnat begeleiden, of andersom. Wie was zij? Ze zegt het niet met zoveel
woorden, maar wie weet onthullen stippellijntjes iets. Ze studeerde onder meer
Hebreeuws, schreef als journaliste én als dichteres regelmatig over Israël, had
volgens een mededeling in Nachtbraak ‘een vrijwillige diensttijd in het Israëlische
leger in dienst van Buitenlandse Zaken’. Pem Sluijter reisde trouwens ook naar Sri
Lanka, Quito, de Galapagos Eilanden en dichtte over die oorden.
Haar vader was indertijd als marineofficier werkzaam in Vlissingen. In één
gedicht, ‘Scheldestroom’, gaat ze terug. Eindelijk het licht van Walcheren in plaats
van dat van Attika. Een mooi, mysterieus gedicht is het waarin ze tussen m.s. Makiri
en het marinevaartuig Rotterdam ‘de opmaat tot zeemansleven’ herbeleeft. Ze wiegt
‘tussen afwezige golven tegen afwezige wind/ onder afwezige wolken’ en wil blijven
‘op de toppen van de uitstroom naar zee’. Terug naar haar vader, terug naar Zeeland,
terug naar het eerste jaartal.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.