Zeeuwse schrijvers (214): Freek de Jonge

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 214: Freek de Jonge.

Tekenend voor de man, die graag inschikte, op één keer na, in 1956 toen Duitse badgasten al te brutaal oprukten op het strand van Vrouwenpolder. ‘Dies ist unser Badehöckchen’, zei hij, en bozere woorden heeft de man, van roeping en beroep dominee, nooit gesproken.

 

Dies ist unser Badehöckchen
Freek de Jonge

Mario Molegraaf

De handtekening in mijn exemplaar van ‘Ben ik een Zeeuw?’ verraadt niets. Hooguit het verwoestende optimisme van de zetter, Freek de Jonge. Zijn signatuur gaat onverwacht steil omhoog, ongeveer als een duinopgang bij Zoutelande. Een niet onbelangrijke plaats in zijn leven en ook een beetje in zijn werk. ‘Walcheren was zijn droom, Zoutelande zijn eindbestemming’, schrijft hij over zijn vader in ‘Reikhalzend verlangen’, uitgekomen in 2017, ook het verschijningsjaar van het geschenkboekje ‘Ben ik een Zeeuw?’ De Jonge weet alles van retorische effecten, en beseft dus heel goed dat op zo’n vraag slechts een ja met minstens drie uitroeptekens past. Alleen een kwaadwillende kan aan zijn Zeeuwse wortels knagen en er geniepig op wijzen dat de cabaretier en auteur in 1944 in het Groningse Westernieland werd geboren en een groot deel van zijn jeugdjaren doorbracht in Zaandam.

De Jonge schrijft met sympathie over zijn vader, die de Walcherse droom nooit waarmaakte en Zoutelande nimmer als eindbestemming bereikte. Tekenend voor de man, die graag inschikte, op één keer na, in 1956 toen Duitse badgasten al te brutaal oprukten op het strand van Vrouwenpolder. ‘Dies ist unser Badehöckchen’, zei hij, en bozere woorden heeft de man, van roeping en beroep dominee, nooit gesproken. Er zijn Zeeuwse familiebanden en Zeeuwse gezinsvakanties. Men leefde mee met De Ramp van 1953. Samen met zijn zussen, zijn broer en twee huisdieren speelde hij die na, onthult hij in ‘Reikhalzend verlangen’. Een tijdje verving vader De Jonge de overspannen predikant van Rilland-Bath.

Maar de Zeeuwse jaren beginnen pas echt in 1962, niet op Walcheren, laat staan in Zoutelande. Vader De Jonge werd godsdienstleraar in Goes en het gezin vestigde zich in Kloetinge. Het was een beslissende periode voor Freek de Jonge, prachtig beschreven in ‘Ben ik een Zeeuw?’ In het hoofdstuk ‘De overkant’ levert hij zelfs een van de overtuigendste seksscènes uit de Nederlandse literatuur. De Zeeuw achter de handtekening, heimelijk ook een dominee, zij het een heidense: ‘Te midden van de Zeeuwen/ Ben ik opgegroeid in Goes/ Te preuts voor het leven/ Te blank voor de blues.’

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.