Nehalennia, winter 2018

Het winternummer van Nehalennia ziet er als vanouds glossy uit. Mooie glanzende illustraties, piekfijne opmaak. Hoe aantrekkelijk ook om te zien, dat zegt niets over de inhoud. Eerlijk gezegd: de inhoud kon me niet bijster boeien. Alleen het verhaal met Veronique De Tier, adviseur streektalen bij de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ): vooruit, het biedt weinig nieuws maar de teloorgang van ons Zeeuwse dialect blijft interessant.

Misschien maakt het uit dat het eerste artikel over het 400-jarige dichterschap van Jacob Cats weinig meer biedt dan een globale terugblik op de herdenkingsactiviteiten in 2018. Over opsommingen gesproken: in het daaropvolgende artikel over ‘Zeeland en Goeree in de wereld’ – deel 2: Azië – hoppen we van bolwerk Zeeland in de stadsmuur van Batavia naar het fort Zeelandia op Formosa. Fraai geïllustreerd, maar wat er in de inleiding wordt gezegd, klopt: geen volledige opsomming of uitputtende verhandeling, eerder een signalering.

Na twee van dat soort artikelen – inhoudelijk prima, maar bepaald niet spannend – moet ik de neiging onderdrukken om het tijdschrift, dat lezers in Zeeland en op Goeree-Overflakkee wil boeien, weg te leggen. Artikel drie dan. De bouw en herbouw van de korenmolen in Sommelsdijk is toch echt super lokaal.

Dat geldt ook voor het relaas over hoofdonderwijzer Jacob Sturm in Kats. In dat verhaal wordt nogal gehusseld met de verleden en tegenwoordige tijd. Niet alles wordt mij duidelijk. De man is geboren in 1837 in IJzendijke. In zijn geboorteakte staat Jakob, met een k. Waarom wordt zijn naam in het artikel dan consequent met een c geschreven?

Het artikel over de hoogaars biedt me weinig meer dan een willekeurig encyclopedisch verhaaltje in willekeurig welk tijdschrift. Mooie plaatjes, dat dan weer wel.

Veronique De Tier wordt in de aanhef van het verhaal over het Zeeuws dialect ‘mw. Drs.’ genoemd. Beetje oubollig, zou ik denken. Ze hield een lezing op de Dialectdag 2018. De redactie van het tijdschrift biedt daarvan een ‘verslag in de vorm van een interview’. Die vorm is geslaagd, het vraag-antwoord spel levert een prettig leesbaar geheel op. Met een niet mis te verstane conclusie: ,,Ik denk dat jullie net als ik weten en beseffen dat het Zeeuwse dialect (en niet alleen het Zeeuwse) niet echt meer te redden is. We vechten nog wel even en het Zeeuws blijft zeker nog wel enkele decennia bestaan, maar het wordt steeds minder en minder gesproken en dus ook minder en minder doorgegeven.” Op het vlak van ‘borgen en doorgeven als cultureel erfgoed’ ziet de adviseur wel positieve ontwikkelingen. Er is al veel vastgelegd in het dialectwoordenboek, dat inmiddels ook gedigitaliseerd is. Er worden hoorspelen en verhalenboeken geschreven, er worden vertel- en zangavonden georganiseerd. Nog een mooi citaat: ,,We hebben tegenwoordig Peter Slager en Maikel Harte, en vooral Broeder Dieleman die het Zeeuws ook buiten Zeeland op de kaart zetten via hun conferences of liedjes.”

Hoofdredacteur Pau Heerschap meldt in het intro van het tijdschrift: ,,Over gebrek aan kopij hoefden we niet te klagen.” Dat mag dan zo zijn. Maar het lijkt mij dat een periodiek, dat aandacht vraagt voor ‘archeologie, cultuurhistorie, streektaal en volkscultuur van Zeeland en Goeree-Overflakkee’, best meer stof tot nadenken en discussie mag voorschotelen.

Nehalennia. Tijdschrift van de Zêêuwse Dialect Verênigieng, aflevering 202, winternummer, december 2018.

 

Dit bericht is geplaatst in Tijdschriften met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.