Zeeuwse schrijvers (208): Hans Dorrestijn

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 208: Hans Dorrestijn.

Neem het tafereel uit Hans Dorrestijns ‘Op het naaktstrand van Zoutelande’, vermoedelijk de op een na bekendste tekst over het plaatsje onder de duinen. ‘Wat een mooie tieten!/ Wat een mooie tieten!/ Wat een prachtig mooie tieten heeft die man!’

**************************

Wat een tieten heeft die man
Hans Dorrestijn

door Mario Molegraaf

Ook míjn ogen laten zich niet bedwingen. Ze gaan schaamteloos en beschamend richting meeslepend spleetje, richting decolleté, het geheimzinnige gebied dat in het Engels ‘cleavage’ heet. Betrapt! De bezitster neemt me erger dan ironisch op. Maar er zijn gevallen dat dezelfde ogen razendsnel een andere kant op willen. Neem het tafereel uit Hans Dorrestijns ‘Op het naaktstrand van Zoutelande’, vermoedelijk de op een na bekendste tekst over het plaatsje onder de duinen. ‘Wat een mooie tieten!/ Wat een mooie tieten!/ Wat een prachtig mooie tieten heeft die man!’, begint het anti-seksistische gedicht, natuurlijk opgenomen in Ik wou dat ik twee hondjes was, de beroemde bloemlezing van Vic van de Reijt met Nederlandse plezierpoëzie waarvan onlangs een geheel herziene editie verscheen (272 pag./ 15,- euro/ Uitgeverij Prometheus, Amsterdam).

Ik hoopte al dat een exemplaar van dit boek in het net bezorgde pakje zat en rukte iets te gretig. Au! Een of andere onverlaat had het karton aan beide kanten van een gemeen nietje voorzien. Misschien past dat wel bij het genre, in bijna elk licht gedicht zit een vals steekje. Je komt in de bundel alle toepasselijke namen tegen, denk aan Drs. P, Kees Stip, Lévi Weemoedt, Ivo de Wijs en Daan Zonderland. Ook enkele Zeeuwen zijn aanwezig, Annie M.G. Schmidt, Jan G. Elburg en J.C. van Schagen die spot met A. Roland Holst (‘als het noodlot het bolst is/ en de storm op zijn dolst is.’)

Onvermijdelijk glijdt de blik toch af naar het vers van Hans Dorrestijn (1940), die trouwens meer van Zeeland heeft gezien dan alleen Zoutelande. In Dorrestijns vogelgids neemt hij ons mee naar Scharendijke, waar hij al dan niet een barmsijsje observeerde. Zijn Zoutelande-gedicht komt uit Huiselijke omstandigheden (1986) waar het prijkt tussen onder meer ‘Het anti-stewardessenlied’ en ‘Het anti-ponylied’.

Dorrestijn over zijn dichterschap: ‘En toen ik veel geleden had,/ ging ik heel mooi schrijven.’ Hij vervolgde het gedicht over de onverwachte tieten: ‘Die van zijn vrouw kunnen er niet aan tippen./ Ach, wat maakt het voor verschil bij het wippen?’

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.