Zeeuwse schrijvers (207) Carolijn Visser

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 207: Carolijn Visser.

Zo ontstaat een in nostalgische tinten geschetst portret van
een eeuw Zeeland, Walcheren vooral, het land waar het leven goed was. En misschien, ga je denken door dit boek, nog altijd goed is.

**************************

Voorbij de gecodeerde deur
Carolijn Visser

door Mario Molegraaf

Een paar jaar geleden sprak ik de hoop uit dat Carolijn Visser eens een heel boek aan
Zeeland zou wijden. Dat boek is er nu, ‘Zeeuws geluk’ (19,99 euro, Uitgeverij Augustus),
een boek dat in geen enkele Zeeuwse boekenkast zou mogen ontbreken. De
schrijfster reisde voor een keer niet naar Vietnam maar naar Veere, ging naar
Middelburg in plaats van Mongolië. Het begon met een verzoek van SVRZ, de
Stichting voor Regionale Zorgverlening. Ze logeerde in enkele Zeeuwse
verpleeghuizen en sprak met bewoners, aanhang en medewerkers. Meteen een
terugkeer naar het land van haar jeugd. Haar ouders waren als leerkrachten in
Zeeland gaan werken, en het eerste adres van het gezin was in het Vebenabos, onder
de duinen tussen Dishoek en Vlissingen. Terug naar de streek van haar herinnering.
Maar door de gesprekken in de verpleeghuizen wordt ze ook deelgenoot van
andermans herinneringen. Zo ontstaat een in nostalgische tinten geschetst portret van
een eeuw Zeeland, Walcheren vooral, het land waar het leven goed was. En
misschien, ga je denken door dit boek, nog altijd goed is.

Het lijkt een onmogelijke literaire onderneming, maar Carolijn Visser weet
het persoonlijke en het algemene op een vanzelfsprekende manier te mengen.
Daardoor is haar boek in zekere zin het boek van alle Zeeuwen geworden. Hoe dat
werkt? Vermoedelijk kan ze zich de herinneringen van de bewoners van de
verpleeghuizen overtuigend eigen maken omdat haar eigen herinneringen zo intens
zijn. Waar ze ook ter wereld is, ‘vaak verschijnt het uitzicht van de Westkappelse
vuurtoren voor mijn ogen.’

De overgang wordt vloeiend door de proloog en de epiloog, waarin ze een ánder verpleeghuis bezoekt, dat van haar moeder, die haar niet meer herkent maar aan wie ze graag haar Zeeuwse verhalen wil vertellen. Haar eigen verhalen, bijvoorbeeld hoe ze rondfietste met de kip Katrien. En verhalen die ze in de Zeeuwse verpleeghuizen te horen krijgt, onder meer over het bombardement op Westkapelle: ‘aól puun’. We gaan met Carolijn Visser voorbij de gevreesde gecodeerde deuren. Daarachter heerst niet alleen ontreddering en ontluistering, maar ook geluk, onvervalst Zeeuws geluk.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.