Zeeuwse schrijvers (205): Rika Ghijsen

Beeld Rika Ghijsen in Domburg – foto Ruben Oreel

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 205: Rika Ghijsen.

Zij, het meisje uit het beschermde milieu, schrikt van de medeleerlingen op de lagere school: ‘Er liepen er nog al ruwe en ook nog al erg klein-burgerlijke en zelfs een paar vieze onder.’

 

************************

Roken als rokersvrouw
Rika Ghijsen

door Mario Molegraaf

De allereerste Zeeuwse Prijs voor Kunsten en Wetenschappen werd, in 1957, toegekend aan Rika Ghijsen. Aan wie anders dan aan deze vrouw die haar geschriften meestal ondertekende met dr. Ha. C.M. Ghijsen en die door haar familie Tante Rika werd genoemd? En toen ze die prijs kreeg, had ze haar belangrijkste werk, het befaamde ‘Woordenboek der Zeeuwse Dialecten’, nog niet eens gepubliceerd. Zij, afkomstig uit een fijne en welgestelde familie, heeft nooit een reguliere baan gehad. Maar ze was heel haar lange leven, in 1884 begonnen in Middelburg en in 1976 in diezelfde stad geëindigd, ongekend actief.

Dat dr. voor haar naam dankte ze aan haar promotie in 1919, na een studie in Leiden. Het onderwerp van haar proefschrift was een andere befaamde Zeeuwse, Betje Wolff. ‘Ik ging hoe langer hoe meer proberen om niet alleen te weten wát ze dacht, maar waarom ze het dacht’, verklaarde Rika Ghijsen en deze inleving geeft haar Wolff-biografie uit 1954 met de onovertroffen titel ‘Dapper vrouwenleven’ zo’n kracht. Een warme biografie waarin we bijvoorbeeld over de jonge Betje lezen: ‘Als een poesje koestert ze zich, als jongste en lieveling van vader en moeder, in de liefde van haar omgeving.’

Als een poesje! Behalve biografie is dit misschien meteen autobiografie. Rika Ghijsen had zelf, afgaande op haar ‘Herinneringen’, ook zo’n geborgen kindertijd. De persoonlijke aantekeningen werden in 1978 gebundeld, met een inleiding van M.P. de Bruin. Nou ja, inleiding, de opmerkingen vullen veel meer dan de helft van het boekje. ‘Ik heb het oude Middelburg nog gekend in de laatste periode van zijn deftigheid’, begint haar relaas. Dat soms wat elitair overkomt. Zij, het meisje uit het beschermde milieu, schrikt van de medeleerlingen op de lagere school: ‘Er liepen er nog al ruwe en ook nog al erg klein-burgerlijke en zelfs een paar vieze onder.’

In deze ‘Herinneringen’ wordt dr. Ha. C.M. helemaal Rika. We betrappen haar in de Middelburgse tuin, spelend met haar broers die ‘kotjes’ bouwen voor het rovertje spelen: ‘Ik rookte als roversvrouw op mijn elfde jaar mijn eerste sigaret in zo’n kotje.’

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.