Luctor et Emergo

De geschiedenis van de Koninklijke Maatschappij De Schelde in Vlissingen als bouwer van onderzeeërs is geboekstaafd: ‘Luctor et Emergo’. Een verleden dat naar meer smaakt. Momenteel is Damen Schelde Naval Shipbuilding in de race voor een miljardenorder: in 2025 moet de huidige Walrusklasse worden vervangen.

door Jan van Damme

Het ziet eruit als het zoveelste gelikte geschiedenisplaatjesboek. Kijk eens wat een prachtige onderzeeboten de Koninklijke Maatschappij De Schelde in Vlissingen in de periode 1907-1940 bouwde. Maar deze uitgave, die eerder deze maand in Rotterdam werd overhandigd aan Commandant Zeestrijdkrachten vice-admiraal Rob Kramer, is veel meer.

De Vlissingse werf – nu Damen Schelde Naval Shipbuilding (Marinebouw) –  is momenteel volop in de race voor de bouw van nieuwe onderzeeboten voor de Koninklijke Marine. Er zal nog heel wat water door de Schelde vloeien voor het zover is. Maar dit boek laat in elk geval zien waartoe de werf in staat was.

Onder de titel ‘Luctor en Emergo’ laten schrijvers Tobias van Gent en Ron van Maanen zien, zien hoe succesvol De Schelde was in de bouw van onderzeeërs. Tot de Tweede Wereldoorlog werden er in Vlissingen twintig te water gelaten. Daarna werden de Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM) en Wilton-Fijenoord de uitverkoren bouwers. Nu die er niet meer zijn is de marinetak van Damen Schelde Naval Shipbuilding in Nederland de meest voor de hand liggende werf voor de bouw van de boten, die de huidige vier onderzeeërs in de Walrusklasse rond 2025 moeten vervangen. Een miljardenorder, goed voor honderden banen.

O2 in het Dok van Perry Vlissingen september 1911

Tobias van Gent (1967) is als docent geschiedenis verbonden aan de University College Roosevelt in Middelburg. Hij is lid van Provinciale Staten voor de VVD. Gisteren werd hij voor die partij als lid van de Tweede Kamer beëdigd, na het vertrek van Han ten Broeke. Medeauteur Ron van Maanen (1958) is archivaris in Vlissingen en is specialist als het om het archief van scheepswerf De Schelde gaat.

Hoewel het boek ‘voorbij verleden’ biedt, kan het op geen beter moment worden gepresenteerd. Algemeen directeur Hein van Ameiden van Damen Schelde Naval Shipbuilding is in zijn voorwoord heel bescheiden. Hij noemt de verleiding groot ,,om parallellen te trekken tussen de geschiedenis als in dit boek beschreven en de huidige tijd.” En voegt daaraan toe: ,,Maar dat is aan u, beste lezer.”

Ontwerp van Damen/Saab voor een nieuwe onderzeeboot

Op pagina 33 zijn de auteurs uitgesprokener, als ze het over het heden hebben. Zij begrijpen dat Haagse politici aarzelen over de nieuw te bouwen onderzeeërs, omdat de kosten van de Walrusklasse destijds gierend uit de bocht vlogen. Maar dan schrijven ze (pagina 33): ,,Toch wordt veelvuldig benadrukt dat Nederland met zijn grote conventionele onderzeeboten beschikt over een nichecapaciteit, die een waardevolle aanvulling vormt op de strijdkrachten van het NAVO-bondgenootschap.”
De boten kunnen ingezet worden voor inlichtingenwerk, verkenningen en het lanceren van speciale eenheden mariniers of agenten. Dat brengt de schrijvers tot de conclusie: ,,De politiek is aan zet, maar in het licht van de rijke geschiedenis van het Nederlandse onderzeebootwapen is het toch amper voor te stellen dat dit in 2025 tot een einde zou kunnen komen.”

Hoe effectief de moderne Nederlandse onderzeeërs zijn, wordt op pagina 23 duidelijk in de beschrijving van een NAVO-oefening in een Noors fjord in 1989. De conventioneel aangedreven Zwaardvis glijdt geruisloos tussen de schepen door en brengt – op papier – de carrier America tot zinken. ,,Een virtuele topprestatie”, constateren de auteurs. Ze noemen de onderzeeboten ,,een cruciaal onderdeel” van de marine, en besluiten met: ,,In de Nederlandse maritieme geschiedenis is dit in feite in de laatste honderd jaar nooit anders geweest.”

In het boek wordt verteld, hoe er al in de 18e eeuw min of meer succesvol onder water werd gevaren. Rond 1900 zagen Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten kans onderzeeërs te bouwen, die effectief als wapen konden worden ingezet. Het was voor die landen een mogelijkheid om tegenwicht te bieden aan de superieure oppervlaktevloot van de Britten. Die waren dan ook ‘not amused’, hun vice-admiraal Sir Arthur Wilson noemde de onderzeeërs ‘underhand, unfair and damned un-English’ – achterbaks, oneerlijk en verrekte on-Engels. Varende doodskisten, doortrapte sluipmoordenaars: er waren meer niet erg vleiende benamingen in omloop.

Scheepsbouwer De Schelde in Vlissingen zag potentie in de onderwaterwereld en bouwde begin 20ste eeuw de Luctor et Emergo, de naam waaraan de titel van het boek is ontleend. Met een waterverplaatsing van ruim 100 ton boven water, 124,5 ton onder water en een lengte van iets meer dan 20 meter was het niet meer dan een bootje. Maar voor zijn tijd wel uiterst innovatief. Aan het welzijn van de tienkoppige bemanning moest nog worden gewerkt: ,,Het geruis der tandwielen vereist een maximum van iemands geluidsinspanning om hier bovenuit orders door te praaien.”
De stank in de boot was niet te harden: ,,een geurencocktail van zwavelzuur, benzine, smeerolie, uitlaatgassen en zwavelwaterstof.” De werf bouwde de eerste onderzeeër op eigen risico. Pas toen werd voldaan aan de eisen van de marine – 12 uur onafgebroken onder water blijven, een snelheid van 8 knopen boven en 7 onder water, bewapend met drie torpedo’s – nam de regering de boot over voor 430.000 gulden.

Proefvaart voor Vlissingen

Er werden tot de Tweede Wereldoorlog nog negentien onderzeeërs te water gelaten, steeds beter, groter en speciale types voor dienst in de wateren van Nederlands-Indië. Elke boot heeft een verhaal, dat in dit boek zowel in woord als in beeld op een aantrekkelijke manier  uit de doeken wordt gedaan. Zodat lezers wel bijna moeten denken: ‘dit smaakt naar meer’.

Tobias van Gent en Ron van Maanen: Luctor et Emergo, de onderzeeboten van de Koninklijke Maatschappij De Schelde 1905-1958 – Het Boekenschap, 172 pagina’s, hardcover, 29,95 euro.

***********************

Spannende strijd om miljardenorder

De vervanging van de vier Nederlandse Walrus-onderzeeërs is een spannende strijd. Scheepswerf Damen Schelde Naval Shipbuilding in Vlissingen maakt een goede kans op de miljardenorder voor de Koninklijke Marine. Om sterk te staan heeft de scheepsbouwer een consortium gevormd met Saab. Dat Zweedse bedrijf heeft kennis voor de bouw van onderzeeboten in huis, die in Vlissingen niet paraat is.
Maar er zijn buitenlandse kapers op de kust. Vooral het Franse bedrijf Naval Group speelt zich in de kijker. Twee jaar geleden bestelde Australië twaalf nieuwe onderzeeërs bij de Fransen. Dat maakt het bedrijf een geduchte concurrent. Ook het Duitse ThyssenKrupp is in de markt.
Minister Ank Bijleveld laat de Kamer eind dit jaar weten, welk type onderzeeboot ze wil in plaats van de huidige Walrus-klasse. In 2020 of 2021 zal er dan een contract worden gesloten met één van de scheepsbouwers. De onderzeeërs kunnen honderden nieuwe banen opleveren, omdat de boten helemaal in Vlissingen worden gebouwd.

Dit bericht is geplaatst in Ondernemend Zeeland, Scheepvaart met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.