Zeeuwse schrijvers (190): Maarten Ducrot

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 190: Maarten Ducrot.

Maar een wielrenner die kan schrijven, is zoiets als een kameel op een Walchers duin. En schrijven kan Ducrot, des te treuriger dat deze goede vingers juist bij deze gelegenheid gepaard gingen met slechte poten.

Slechte poten, goede vingers
Maarten Ducrot

door Mario Molegraaf

De Tour de France, dat is ieder jaar dezelfde historie. Dus kun je net zo goed het
verhaal van een oude Ronde lezen, zoals verteld door Maarten Ducrot (in 1958
geboren te Vlissingen) in het dagboek ‘Berichten uit de Tour de France’. Een
wielrenner die leest is al een bijzonderheid. Maar een wielrenner die kan schrijven, is
zoiets als een kameel op een Walchers duin. En schrijven kan Ducrot, des te treuriger
dat deze goede vingers juist bij deze gelegenheid gepaard gingen met slechte poten.
In zijn eerste Tour, die van 1985, won hij een etappe. Een prestatie die hij niet meer
evenaarde. In ‘Wie de trui past, trekke hem aan’ komt hij met de analyse (dat krijg je
ervan wanneer je, zoals Ducrot, psychologie hebt gestudeerd): het ‘is me nooit meer
gelukt wat me in die eerste onbevangenheid wel lukte. Ik wilde te graag.’

Het jaar van dit dagboek, 1987, werd Ducrots zwakste Tour-jaar. De laatste
aantekeningen maakte hij niet te Parijs, maar te Middelburg, van onder de dekens.
Hij wordt ziek en moet opgeven, na zich voortdurend ‘een beetje de schlemiel van
het peloton’ te hebben gevoeld. Met rugnummer 141 rijdt hij vanaf de start in Berlijn
tot Avoriaz, en verbaast zich intussen over zichzelf, over de koers, over het materiaal
bij de proloog over de Kurfürstendamm, ‘dicht voor- en achterwiel, duikbootfiets,
nieuw snel pak, nieuwe handschoenen en nieuwe sokken.’

Maarten Ducrot liet het niet bij dit ene boek, misschien biedt ‘Wie de trui past,
trekke hem aan’ nog interessanter wielerliteratuur. Hij zwijgt niet over het gebruik
van al dan niet verboden middelen. Zijn Middelburgse huisarts gaf hem daarbij
nuchter en doorgaans ontnuchterend advies. Mooi zijn de bladzijden over de
trainingsritten door Zeeland met andere Zeeuwse profs: ‘Ik vanuit Middelburg, Raas
en Priem vanuit de tegenovergestelde richting ’s-Heerenhoek.’ Uit de mond van Jan
Raas worden de scherpste woorden opgetekend. Wanneer Ducrot met verzuurde
benen vanwege ‘de Zeeuwse wind op kop’ bekent te moeten rusten, reageert Raas
met een welgemeend: ‘Ben je moe dan? Dan had je geen wielrenner moeten
worden!’

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.