Tijdschrift Zeeland, zomernummer 2018

De cover van het tijdschrift ‘Zeeland’ van het Zeeuws Genootschap laat werk zien van de uit St.-Annaland afkomstige keramist Chris Lanooy (1991-1948): ‘Bosgezicht in de omgeving van Epe’, circa 1920. Binnenin wijdt Lanooy-kenner Willem Heijbroek een ruim artikel aan de kunstenaar. Wat me opviel: misschien heeft Chris wel carrière kunnen maken, omdat zijn vader Cornelis vanwege zijn socialistische sympathieën niet gepruimd werd op het christelijke Tholen. Een familielid zorgt dat hij als smid aan de slag kan in Den Haag. Zoon Chris wordt leerling bij plateelbakkerij Rozenburg, later bij plateelbakkerij Zuid-Holland in Gouda. Daar leert hij pottenbakken van aardewerkdraaiers. Het begin van een glansrijk kunstenaarsleven.

Ik licht zomaar wat woorden uit het artikel: glazuurlaboratorium, ontwikkelen van nieuwe glazuurcombinaties, 1914 expositie in het Stedelijk Museum Amsterdam, deelname aan expositie van keramische kunst in het Metropolitan Museum of Art in New York, december 1944 opgepakt door Duitsers, overleeft op het nippertje.

Jeroen-Martijn H. van Haart doet onderzoek naar de familie Van Dishoeck in de 18e eeuw. Komend najaar staat zijn publicatie gepland: ‘Als een Cipres boven de Heesters. De familie Van Dishoeck en een (Achttiende) Eeuw vol Rijkdom, Rechten en Revolutie’. Het artikel in het zomernummer van Zeeland dient om ons lekker te maken, neem ik aan. Mr. Pieter de la Rue gaat in 1773 in op een uitnodiging van Ewout van Dishoeck, om diens ‘Groote Huys’ aan de Lange Noordstraat in Middelburg te bezichtigen. Je hebt rijkdom en rijkdom. Van Dishoeck was een man, die tijdens acht jaar Indië ‘fabelachtig fortuin’ had gemaakt. Dat liet hij aan De la Rue zien. Die noteert ‘uitmuntende schilderijen der beste meesteren’ gevat in vergulde spiegellijsten, in het rariteitenkabinet onder andere twee bijzondere ‘wenteltrappen’ (schelpen), ettelijke laden met ‘goud, drupgoud en gouderts’ en medicinale stenen. Verder een wandbetimmering met een beschildering van Cornelis Troost. De la Rue concludeert dat ‘het Groote Huys eerder een vorstlijk palais dan (de) wooning van een stadsregent is’. Leuk nog om te lezen dat Walcheren in deze eeuw naam maakt met de Westkappelse zeedijk en de Nehalenniastenen in Domburg.

Verder in dit nummer: Sarina Hendrikse schrijft over de bijna vergane grafzerken op het kerkhof van Wissekerke, in de rubriek ’t is vol van schatten hier (uit de verzamelingen van het Genootschap) gaat het over een ‘onooglijk stukje brons’ en een portret van Aernout van Citters. De boekbesprekingen zijn ruimhartig: over de ‘Landschapsatlas van de Oosterschelde’, de ‘Flora Zeelandica’, het Middelburgboek en het onvolprezen boek van Adrie de Kraker: ‘Landachap en bewoning van Zeeuws-Vlaanderen’. Ook is er aandacht voor een door Lo van Driel bezorgd brievenboek van Reimond Kimpe.

Zeeland, tijdschrift van het Koninklijk Zeewsch Genootschap der Wetenschappen, jaargang 27, nummer 2, juni 2018. (in het colofon achterop het tijdschrift staat abusievelijk maart 2018 vermeld).

 

 

Dit bericht is geplaatst in Tijdschriften met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.