Zeeuwse schrijvers (186): Mattheus Gargon

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 186: Mattheus Gargon.

Soms krijgt het verhaal heel even vleugels. Wanneer men ‘de witte en met helm-gewapende Duinen’ beklimt. Wanneer een mosselman te Westkapelle zijn waren aanbeveelt: ‘in ’t eetste van den Zomer, en koudste van den Winter eet men de beste Mosselen’.

Zeeuwen en Zeevisch
Mattheus Gargon

door Mario Molegraaf

De registers beloven veel. ‘Satan wat betekend’ en ook ‘Schelde beschreven’. ‘Zeep
eertijds weinig in gebruik’ en ‘Zeeuwse koortzen, waar van daan’. ‘Hoerhuizen te
Romen geoorloft’ en ‘Hellebardierstraat waarom te Vlissingen zo genoemt’. ‘Water
wat is’ en ‘Wijn hoe in Zeeland zou kunnen groeien’. Mysterieuze mededelingen die
de fantasie prikkelen. Is dit dan eindelijk het boek over alles? In de praktijk blijkt het
een boek over niets.

Eigenlijk gaat het om twee boeken, de Walcherse Arkadia van Mattheus
Gargon. In het voorwoord (gedateerd Vlissingen 12 december 1714) van het eerste
deel belooft hij ‘uitspanning en verlustiging’ door ‘de vermaaklijkheden van
Walcheren’ te beschrijven. Gesterkt door het succes van het voorafgaande laat hij in
het voorwoord (gedateerd Vlissingen 25 oktober 1716) van deel twee de schijn van
bescheidenheid varen. Hij haalt uit naar de naamlozen die probeerden ‘ons werk
verdacht en gehaat’ te maken.

Mattheus Gargon, in 1661 geboren te Haarlem, was een predikant. Géén erg
briljante, zou ik zeggen vanwege het lijstje plaatsen waar hij op de kansel stond. In
1702 werd hij beroepen te Serooskerke (Walcheren), vijf jaar later te Vlissingen waar
hij in 1728 zou overlijden. Hij was er ook rector van de Latijnse School en vond dus
tijd om deze boeken te schrijven, volgens de ondertitel gekenmerkt door ‘een
zoetvoerigen trant, onder zedige Liefkozeryen en stichtelijke Bespiegelingen’.

Walcheren als paradijs, maar al snel verdwalen we in een literaire woestenij.
Maffe voetnoten en malle uitweidingen (bijvoorbeeld over de rooms-katholieke kerk,
‘hunne zogenaamde Geestlijkheid’ bedrijft ‘hoererijen’). En dan de langdradige
reisgidsbespiegelingen door personages van wie zelfs de namen (Heerman, Ewoud,
Adolf) onuitstaanbaar zijn. Soms krijgt het verhaal heel even vleugels. Wanneer men
‘de witte en met helm-gewapende Duinen’ beklimt. Wanneer een mosselman te
Westkapelle zijn waren aanbeveelt: ‘in ’t eetste van den Zomer, en koudste van den
Winter eet men de beste Mosselen’. O ja, het moet ook volle maan zijn. En wanneer
de visafslag te Vlissingen wordt geïnspecteerd, met spartelende kabeljauwen en
wippende schollen: ‘Geen wonder dat de Zeeuwen zo gezet zijn op Zeevisch, die hier
zo versch en levendig is.’

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.