Zeeuwse schrijvers (185): J.C. Opstelten (2)

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 185: J.C. Opstelten (deel 2).

Niet in Zeeland geboren, niet in Zeeland gestorven, maar tussendoor wel degelijk Zeeuw. Vanwege zijn vader, militair, woonde het gezin een poos in Middelburg. ‘Ach, kon ʼk nog op uw wijde akker,/ bij boer en hof, bij wind en zon (…) aan ’t ruisen van uw
macht’ge stromen/ van eeuwigheid en vrede dromen,’ zo mijmert hij.

Zeer slank omsloten
J.C. Opstelten [deel 2 van 2]

door Mario Molegraaf

Pas in strofe drie van zijn ‘Zeeuwse ballade’ komt J.C. Opstelten ter zake. ‘Door
duin en dijk zeer slank omsloten,’ beschrijft hij, ‘in ’t Westen Walch’rens groene
ruit,/ dan, tot aan ’t Sloe vooruitgestoten,/ Zuid-Bevelands gebalde vuist;/ en
daaromheen de brede Schelden,/ die ’t zout der zee met zoet vergelden.’ Nog niet
heel Zeeland is verkend, maar dat gebeurt in strofe vier: ‘Zoals ik van twee sterke
aêren/ de vork vertakt zie op mijn hand,/ kon men, naar ’t Noorden koersend, varen/
langs Tholen, Schouwen, Philipsland,/ ʼwijl zuidelijk de Hont z’n lusten/ botviert aan
Vlaand’rens vlakke kusten.’

Zo dichtte J.C. Opstelten (1891-1979) in de laatste oorlogsherfst, november
1944 te Leiden. Hij was in het dagelijks leven leraar klassieke talen en op sommige
momenten dichter. De ‘Zeeuwse ballade’ en andere oorlogsgedichten publiceerde hij
pas jaren later, in een bundeltje ‘De hongerwinter met verzen dragelijk gemaakt’. Niet
in Zeeland geboren, niet in Zeeland gestorven, maar tussendoor wel degelijk Zeeuw.
Vanwege zijn vader, militair, woonde het gezin een poos in Middelburg. ‘Ach, kon
ʼk nog op uw wijde akker,/ bij boer en hof, bij wind en zon (…) aan ’t ruisen van uw
macht’ge stromen/ van eeuwigheid en vrede dromen,’ zo mijmert hij.

Niet louter nostalgie, Zeeland is in deze ballade bedreigd gebied. Van vrede
dromen? In de oorlogsdagen ligt vrede ‘bespot, vertreden’. Het stadhuis van
Middelburg? Verwoest, ‘nu domheid sterker bleek dan steen’. En ‘uit de lucht
besprongen’ ligt ‘het schild van Walcheren kapot’. Gevolg is dat ‘over ’s eilands
erven/ zijn kin’dren vlieden voor de vloed.’ Opsteltens rijmen zijn niet altijd even
elegant: ‘Hoe klaaglijk klinkt uw kreet, o meeuwen,/ boven het zinkend land der
Zeeuwen!’ Maar de bedoelingen zijn groots, de Zeeuwse strijd met wind en golven is
voor hem het ‘lichtend symbool voor onze tijd.’

Toen hij jong was, had hij een visioen ‘aan Vlissings water’, een visioen over
alle ‘schoonheid van voorheen en later’ dat hem leerde: ‘Laat mensen hun
voorbijgangswanen,/ het levenslied blijft altijd jong./ Daaraan wilt gij ons, Zeeland,
wijden/ en leren sterk te staan in lijden.’

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.