Zeeuwse schrijvers (184): J.C. Opstelten

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 184: J.C. Opstelten (deel 1).

De ‘Verzen’ stammen uit 1928, maar de poëzie klinkt aanzienlijk ouder, door openingszinnen als ‘Ik bleef in mijn klein kamerkijn/ alleen met God en de lampeschijn.’

Blijde wakker door het carillon
J.C. Opstelten [deel 1 van 2]

door Mario Molegraaf

Deze militair kwam wél toen de plicht hem naar Zeeland riep. In 1892 vestigde
kapitein A.R.B. Opstelten zich met zijn gezin in Middelburg, om zes jaar later, niet
in rang bevorderd, ‘op pensioen’ te worden gesteld. Een van zijn zonen was J.C.
Opstelten (1891-1979), die nog enige bekendheid geniet als classicus. In 1945
promoveerde hij op het werk ‘Sophocles en het Grieksche Pessimisme’. Hij was tevens
een dichter, een Zeeuwse dichter nog wel. Ik zou hem nooit hebben ontdekt als een
kleinzoon van hem, Hans Blom, geen uitgebreid artikel aan hem had gewijd in het
nieuwste ‘Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde’. Daarin ook
een zin over Middelburg, ‘waar de vroegste, aangename herinneringen lagen’ van
J.C. Opstelten en zijn broer, die in 1927 zelfmoord pleegde.

J.C. Opstelten is een Zeeuwse dichter vanwege zijn ‘Zeeuwse ballade’. Zijn
bundels liggen hier alle vier voor me. De ‘Verzen’ uit 1928, maar de poëzie klinkt
aanzienlijk ouder, door openingszinnen als ‘Ik bleef in mijn klein kamerkijn/ alleen
met God en de lampeschijn.’ In 1936 publiceerde hij onder de schuilnaam Willem
Terwege een bundel ‘Lyriek’, waarin de toon nauwelijks is gewijzigd. Een avond aan
zee inspireert hem tot ontboezemingen als ‘Ik sta aan de zee tusschen lucht en land;/
de zee is kalm aan het avond’lijk strand.’

Zien wat we allemaal zien, geen wonder dat uitgevers weinig heil in zijn werk
zagen. Beschroomd keerde hij in 1965 terug met het in eigen beheer verschenen ‘De
hongerwinter met verzen dragelijk gemaakt’. Hierin was voor het eerst de in
november 1944 te Leiden geschreven ‘Zeeuwse ballade’ te lezen. Die terugkeerde in
de eveneens in eigen beheer uitgegeven verzamelbundel ‘Op reis met het lot’ (1974).
Deze keer werd het werk, Opstelten bleef classicus, van een motto van Seneca
voorzien: ‘calamitas virtutis occasio’, gewaagd vertaald tot ‘een ramp is een
springplank voor het karakter’. Hij herinnert zich ‘vroeg in de ochtend blijde wakker’
te zijn geworden ‘door Middelburgs hoog carillon.’ Een volgende keer kijken we
nader naar de 98 regels van J.C. Opsteltens ‘Zeeuwse ballade’.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.