Zeeuwse schrijvers (183): Pieter Jacob Andriessen

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 183: Pieter Jacob Andriessen.

We schakelen in hoofdstuk één meteen over naar Vlissingen, het is een  winterdag in 1618. De jongens spelen er de Zeeslag van Gibraltar na, maar dan met
ongevaarlijke kogels, ‘rond en wit’.

Dromen van Vlissingen
P.J. Andriessen

door Mario Molegraaf

Op 24 maart 1877 meldden de Zeeuwse kranten: ‘Onze letterkunde heeft een harer
ijverigste beoefenaars verloren in den heer P.J. Andriessen, den vriend der jeugd, die
Maandag op 61-jarigen leeftijd overleed.’ Pieter Jacob Andriessen, in 1815 in Den
Haag geboren, was een enthousiaste onderwijzer. Ook in zijn jeugdboeken betoonde
hij zich een onderwijzer. Het rooster vermeldde geschiedenisles. Zijn literatuur
moest bijdragen aan ‘vermeerdering van echt historische kennis onder het opkomend
geslacht’. Wat hem betreft diende ‘de inkleeding’ slechts ‘tot veraangenaming’.

Indertijd beloonde de Nederlandse prinses Sophie hem met een gouden
horloge aan een gouden ketting. De keizer van Frankrijk onderscheidde hem met een
zware gouden medaille, lees ik in de beschouwing over Andriessen in het ‘Lexicon
van de jeugdliteratuur’. Of er ook goud kwam uit Vlissingen, blijft onvermeld. Maar
tot zijn belangrijkste werken hoort het in 1861 verschenen ‘De Weezen van
Vlissingen. Of Hoe onze Republiek onafhankelijk werd. Een verhaal uit het Derde
Tijdperk van den tachtigjaren Oorlog. 1609-1648’.

We schakelen in hoofdstuk één meteen over naar Vlissingen, het is een
winterdag in 1618. De jongens spelen er de Zeeslag van Gibraltar na, maar dan met
ongevaarlijke kogels, ‘rond en wit’. Tot het gezelschap behoren de twee wezen uit de
titel, eigenlijk halve wezen, hun moeder leeft nog, Jeroen en Eduard Ewoutsz. Ook
Michiel Adriaansz De Ruyter is present, een mislukte schoolknaap. Zijn vader leest
hem vaak de les, waarbij ‘de maat wordt geslagen op ’s jongskens achterdeel’.

Jeroen gaat al jong naar zee, belandt zelfs aan ‘Afrika’s strand’, waar hij voor
een troon van ‘menschenbeenderen’ moet verschijnen. Maar overal heeft hij heerlijke
dromen: ‘van Vlissingen, en van zijn moeder, en van Eduard’. Wanneer hij eindelijk
terug is in Vlissingen, blijkt zijn moeder overleden. Zijn broer, na moeders dood
vertrokken, is ook onvindbaar. Wél kan Jeroen babbelen met ‘zijn ouden vriend’
Michiel. De juiste jaartallen lijken voor de ijverige Andriessen het voornaamste.
Maar in het kader van een aangename inkleding zorgt hij ook voor de juiste afloop.
De Vlissingse broers worden toch nog herenigd: ‘Eduard! kent gij uw broeder Jeroen
niet meer?’

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.