Zeeuwse schrijvers (180): Christina Guirlande

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 180: Christina Guirlande.

Ze dicht vaak over haar gezin, maar de hoofdrol in haar poëzie is weggelegd voor haar dorp aan de Schelde.

Wat is in een naam?
Christina Guirlande

door Mario Molegraaf

Soms is onwetendheid een zegen. Had ik maar niet ontdekt dat Christina Guirlande
een pseudoniem is. Dan had ik kunnen zeggen: met zo’n naam ben je in de wieg
gelegd voor de poëzie. Maar nee, de dichteres in de dop, in 1938 geboren te
Moerzeke aan de Schelde, vond dat ze met haar eigen naam Godelieve De Beule niet
in de literatuur kon aankomen. In een jeugdboek vond ze de achternaam Guirlande,
en daar zocht ze een welluidende voornaam bij.

Al als dertienjarige publiceert ze gedichten, en daarmee gaat ze tot de dag van
vandaag door. Dochter van de Schelde, in haar dorp een rivier, maar met springtij en
schotbalken. ‘De dijken waren/ hoog als bergen, het water/ stroom én oceaan,’
dichtte ze in de bundel ‘Het taaie geheugen van water’ (2012). ‘Kennen jullie de
Schelde wel?’ moppert een jonge dijkgraaf in een verhaal uit ‘De toevallige reisgezel’
(1971) tegen ‘gezworenen, sluiswachter, ingelanden, erfpachters en opstalhouders
van de polders’. Voor Zeeuwen een vertrouwde wereld, zoals andersom de wereld
van de Zeeuwen haar vertrouwd is.

Ze dicht vaak over haar gezin, maar de hoofdrol in haar poëzie is weggelegd
voor haar dorp aan de Schelde. Ze schrijft in ‘De herders van Arcadia’ (2001) over het
zomerzondagritueel: ‘het spreiden/ van dekens op hellende dijken,/ de vrees voor het
opkomend tij,/ de zorg om kwajongens in notenbomen.’ Met name in ‘Sporen in een
holle weg’ (2016) kijkt ze ook over de landsgrens. Ze beschrijft een nieuwe dag in
Draaibrug: ‘de mildheid/ van de tijd die steen en dijk verbouwt,/ die levens knot als
oude wilde wilgen.’ Sint Kruis wordt met een vers vereerd: ‘Kreken liggen
spiegelglad en blauwiggroen/ te blinken.’

Door het landschap van vandaag heen ziet ze het verleden: ‘de Braakman en
het varen van de Schelde/ naar de zee (…) de zijarm die zijn open/ armen
noodgedwongen sloot.’ En van namen gesproken: in Eede denkt ze aan de Hof van
Eden. De werkelijkheid ter plaatse maakt, volgens de dichteres met de veelbelovende
naam, deze paradijselijke verwachting helemaal waar.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.