Portret Frank van Doeselaar (met samenvatting proefschrift)

Frank van Doeselaar, docent Nederlands en teamleider op scholengemeenschap Nehalennia in Middelburg, heeft een nieuwe manier van lezen ontwikkeld. Hij stelt een ‘cinematografische’ leeswijze voor, waarbij het boek als een film wordt gezien. Eén van zijn doelstellingen is jongeren van nu, die vooral opgroeien met beeld, weer meer met het geschreven woord in aanraking te brengen. Want: ,,Wie alleen leeft met social media en YouTube ontwikkelt geen empathisch vermogen en verblijft ééndimensionaal in een eigen bubbel.’’

foto Mechteld Jansen

Dinsdag 12 september promoveert hij aan de Universiteit van Leiden op zijn proefschrift ‘Bewegend lezen – Voorstel tot een cinematografische leeshouding’, waarin die filmische benadering van literatuur wordt uitgewerkt.

Een van de kernpunten is dat de verteller van het verhaal gezien wordt als een camera, die het verhaal versnelt of vertraagt en kan in- en uitzoomen. Hoe dat werkt laat hij zien aan de hand van de roman ‘Gewassen vlees’ van Thomas Rosenboom. Hij herkent in het boek filmische genres als slapstick, porno en horror. Wie een filmbril opzet is niet langer de lezer op afstand, maar wordt het verhaal ingetrokken.

***************************

Lesgeven is een vorm van topsport

Zelf klom Frank van Doeselaar wel eens uit het raam, als de leraar even niet oplette. Nu staat hij zelf al ruim dertig jaar voor de klas. Het nieuwe schooljaar staat op beginnen. Hij zegt: ,,Op lesgeven staat altijd druk. Zie maar eens een groep van dertig pubers mee te krijgen.”

Jan van Damme

Het begin van het nieuwe schooljaar, dan is het altijd leuk om te praten met Frank van Doeselaar, een docent die – voorzichtig gezegd – gepokt en gemazeld is in het vak. Maar er is meer. Vorige week viel er een uitnodiging op de mat. Of we op 12 september 2017, klokke 13.45 uur, de verdediging van zijn proefschrift ‘Bewegend lezen’ willen bijwonen. ‘Ter verkrijging’, zoals dat officieel heet, ‘van de graad van Doctor aan de Universiteit van Leiden’. Met andere woorden: Frank van Doeselaar, de leraar Nederlands die in Zeeland naam maakte met debatwedstrijden en literatuurcursussen voor scholieren, promoveert.

We openen het hekje van de voortuin in Nieuw-Middelburg. Een doodlopende straat. Wie het er over rust heeft moet wel in clichés vervallen. Hij woont er nu ruim 25 jaar. Het was zijn vrouw Maria die destijds zag dat de twee vervallen arbeidershuisjes op die plek potentie hadden. Nu is het één woning. Hij wijst op de originele Zeeuwse moppen, op de lambrisering want ja, het is een waterhuis. Geluk – ongeluk trouwens ook – komt zelden in enen. Het huis van een buurman was zo uitgewoond, dat hij besloot zijn tuin apart in de verkoop te doen. Zodoende zit huize Van Doeselaar ruim in het groen.

We spreken met een leraar en teamleider, die welbespraaktheid hoog in het vaandel heeft staan. In elk geval een docent die zegt: ,,In alle rust en onderbouwd een punt uiteen kunnen zetten, dat is erg belangrijk. Als je dat niet kunt, dan heb je iets gemist in je opleiding.” Van Doeselaar kan en doet dat. Met een tongval, die Zeeland verraadt.

,,Sluiskil, daar ben ik geboren. Ik heb er gewoond in de Vogelbuurt, die later is afgebroken. Mijn woonwijk grensde aan de Cokesfabriek, waar mijn vader werkte. Ik heb er nog de spoorbrug meegemaakt. Toen die werd opgedoekt, ging ik met het pontje naar de kleuterschool en ook de lagere school aan de andere kant van het kanaal. Vier keer per dag, want tussen de middag at je je boterham thuis. Pas toen ik zelf kinderen kreeg, realiseerde ik me dat ik als kind altijd buiten kon spelen. Hutten bouwen langs de spoordijk. Er stonden ook nog oude bunkers, laat daar jongens maar eens op los. Het was één grote doe-wereld.”

,,Ik ben een achteraankomertje. Toen ik zestien jaar was, of zeventien, overleed mijn moeder aan leverkanker. Ik kreeg heel veel hulp van een stiefzus en haar gezin. Maar feit was dat ik al vroeg op eigen benen kwam te staan. Het was mijn moeder die er niet moeilijk over deed toen de meester van de lagere school de middelbare school in Terneuzen adviseerde. Het werd Petrus Hondius. Leerlingen zijn snoeihard als ze merken dat een leraar geen hart heeft voor zijn vak. Ik was niet de braafste. Als het kon zat ik altijd achterin aan de kant van het raam. Ging de docent even weg en moesten we voor onszelf werken, dan ging ik er met een paar klasgenoten vandoor.”

Van Sluiskil naar Terneuzen, van het dorp naar de stad: kreeg de jonge Van Doeselaar daar een warm welkom?
,,Door het voetbal voelde ik me er meteen thuis. Met Sluiskil voetbalde ik tegen Terneuzen, Hoek, Axel. Ik was een technische speler op het middenveld, met gogme, ik zag meestal wel wat er aan de hand was. Op school trof ik die voetbaljongens en we concludeerden: nu hebben we een onverslaanbaar schoolteam. Met de A-junioren van Terneuzen werden we onder leiding van Han van der Hooft kampioen. In 1977 of 1978 brak de pleuris uit in Terneuzen en ben ik met Van der Hooft meegegaan naar Sluiskil. Daar zijn we opgeklommen naar de tweede klas KNVB. Voetbal, dat was het groepsgevoel, het gevoel met vrienden te zijn. Voetballers, later studievrienden, leerlingen, nu ook als teamleider: verbinden met mensen is voor mij altijd belangrijk geweest. Ik heb tot mijn vijftigste gevoetbald. We hadden een oude lullenteam, bloedfanatiek. Toen ons fanatisme niet meer parallel liep met de uitslagen, zijn we gestopt. Ik kreeg een respons op de uitnodiging voor mijn promotie in Leiden: ‘De gehele verdediging zal aanwezig zijn. Inclusief het commentaar’.”

Lag een studie Nederlands voor de hand?
,,Ik wilde weg. Dat was ook de wens van mijn overleden moeder. Ik wist lang niet wat ik wilde studeren. Annie de Coninck uit Gent, ze was een ongelooflijk goede docente Nederlands. Bij haar heb ik mijn eerste verhaal van Wolkers gelezen. En mijn eerste gedicht van Kouwenaar. Ze stelde eisen, keurde ook boeken voor de lijst af. Ik las graag, van jongs af aan. Arendsoog, Old Shatterhand, Bas Banning, strips. Als het eens slecht weer was vond ik dat niet erg. In Utrecht heb ik het eerste jaar zwarte sneeuw gezien, ik voelde me heel erg eenzaam. Misschien kwam het omdat ik elk weekeinde naar huis ging om te voetballen. Tot Maria en ik in het derde jaar gingen samenwonen heb ik gelezen, gelezen en gelezen, bijna 24 uur op een dag.”

Wie Nederlands studeert hoeft geen leraar te worden.
,,Bij een ministerie, dat had ook gekund. Of bij een uitgeverij. Ik besloot toch maar mijn didactische aantekening te halen. Je leerde toen nog hoe je op het bord moest schrijven. Al meteen tijdens de stage vond ik het leuk om voor de klas te staan. Nog voor ik afstudeerde had ik een vervangbaantje op de Stedelijke Scholengemeenschap in Middelburg. Bijna was het anders gelopen. Omdat ik voor het vak massacommunicatie stage had gelopen bij DOW heb ik daar een jaar als voorlichter gewerkt. Maria en ik waren in Utrecht de tapijten al aan het oprollen om terug te verhuizen naar Terneuzen, toen er een telefoontje kwam dat mijn contract door een reorganisatie toch niet werd verlengd. Dat was een klap. Achteraf ben ik er dolgelukkig mee. Soms moet je nu eenmaal pijnlijke dingen meemaken om er sterker uit te komen.”

Dus toch leraar. Wat maakt het docentschap aantrekkelijk?
,,In Middelburg kreeg ik acht uur havo 4. Lesgeven, dat gaat om de afwisseling, de diversiteit van de kinderen, het heel direct met je vak bezig zijn. De d’s en t’s had ik snel gezien. School is voor mij een vormingsinstituut, niet alleen in het lokaal, maar ook op het schoolplein, in de gangen, buiten school. Bildung, om het met een mooi Nederlands woord te zeggen. Ik heb altijd veel buiten de lessen om georganiseerd. Een film- en literatuurclub, literaire cafés, ik heb een toen nog heel jonge Ronald Giphart uitgenodigd. En Adriaan van Dis, Tim Krabbé, Thomas Rosenboom een paar keer. Natuurlijk moet er een zekere ambitie in het lesgeven zitten: je moet jezelf wel doelen stellen. Vorig jaar heb ik nog een wetenschapssymposium georganiseerd, met tien wetenschappers uit heel het land. Zo haal je de wereld in je lokaal.”

En de debatwedstrijden, waar kwamen die vandaan?
,,Op een zeker moment kregen we het studiehuis opgedrongen door mevrouw Netelenbos. Het onderwijs moest meer gericht worden op vaardigheden. Ik wilde dat studiehuis voor zijn en schreef me in bij het Nederlands Debat Instituut. Met twee leerlingen, twee meisjes, Marloes Pleijte en Mia Bouwense, deden we in 1998 mee aan het Nederlands debatkampioenschap in Leiden. Ze drongen door tot in de finale. Voor het binnentreden ontmoeten ze hun tegenstanders, twee grote jongens die duidelijk op hen neerkeken. Je begrijpt dat we jullie geen succes wensen, zeiden ze. Wij wel, zeiden mijn leerlingen, we wensen jullie succes met het behalen van een eervolle tweede plaats. Ze wonnen en stonden op de voorpagina van de PZC. Vervolgens heb ik het debatteren in mijn lessen geïntegreerd. Omdat? Omdat het ook een vorm van Bildung is, je leert samenvatten, argumenteren, rangschikken, presenteren en de argumenten wegen van de ander. En vooral: luisteren naar de ander.”

Sinds twee jaar bent u teamleider van de VWO-bovenbouw op scholengemeenschap Nehalennia in Middelburg. Meer manager dus, minder docent.
,,Ik heb een heel grote bewondering voor al mijn collega’s. Omdat ze te maken hebben met een overheid die heel veel eist en voorschrijft maar weinig biedt. Lesgeven is een vorm van topsport. Er staat altijd druk op, omdat het programma af moet. Je hebt per dag zes of zeven of acht opstartmomenten: waar zijn we, wat gaan we doen, je moet een groep van zo’n dertig pubers mee zien te krijgen. Daarvoor is fingerspitzengefühl nodig. Warm en overtuigend, dat werkt meestal. Maar het is ook wel eens ‘koppen dicht en geen gelul’. Nederlands beschouw ik als het vak der vakken. Het is niet anders. Jammer dat het eindexamen steeds repeterend en veel te lang is. Dit jaar waren er bij het Landelijk Aktie Komitee Scholieren meer dan 26.000 klachten. Ik kan in het examen zo fout gestelde vragen aanwijzen. Daar zit wel één van mijn frustraties : dat eindexamenprogramma biedt geen ruimte voor Bildung. En dat doet het beroep van docent geen goed.”

PZC zaterdag 26 augustus 2017

****************************

Frank van Doeselaar

Hij werd in 1960 geboren in Sluiskil. Na zijn lagere schooltijd op ‘De Vrije Vlucht’ in Sluiskil, bezocht hij het Petrus Hondius Lyceum in Terneuzen. In 1978 behaalde hij zijn vwo-diploma waarna hij Nederlandse taal- en letterkunde ging studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht. In 1988 behaalde hij zijn doctoraaldiploma. De Zeeuws-Vlaamse Frank is getrouwd met de Zeeuws-Vlaamse Maria (den Hamer). Zij trouwden in 1986 nadat ze al sinds hun studententijd samenwoonden. Zij hebben twee kinderen: dochter Sanne (1995) en zoon Jannes (1997). Op 12 september 2017 promoveert Van Doeselaar aan de Universiteit Leiden. De titel van zijn proefschrift luidt ‘Bewegend lezen. Voorstel tot een cinematografische leeshouding’.

Tijdens de komende editie van Film by the Sea in CineCity Vlissingen geeft Frank van Doeselaar een lezing over zijn proefschrift ‘Bewegend lezen’: zaterdag 16 september om 14.00 uur).
Frank van Foeselaar verzorgt samen met Lidewijde Paris literatuurbijeenkomsten onder de noemer De Literatuurfabriek. Inschrijven kan via De Drukkery Middelburg vanaf 1 september.

**********************************

Proefschrift:

‘Bewegend lezen. Voorstel tot een cinematografische leeshouding’.

Samenvatting

Bewegend lezen is een conceptualisering en uitwerking van een andere leeshouding en een andere wijze van lezen dan de klassieke, namelijk een cinematografische. Een dergelijke leeshouding en -wijze worden door de romantekst uitgelokt of door de lezer bewust gekozen.

Aansluitend bij de narratologie hanteert cinematografisch lezen traditionele vertellersprincipes en focalisatie-inzichten. Daarnaast introduceert deze leeswijze literaire equivalenten van filmische technieken zoals die bekend zijn uit de filmwetenschap. Binnen deze conceptualisering
is het beeld essentieel. Cinematografisch lezen beschouwt de verteller vooral als een soort van camera die versneld, vertraagd en in allerlei gradaties van tonen (bijvoorbeeld in close-up) drie soorten beelden  laat zien. Naast zintuiglijke beelden (beelden die waarneembaar zijn) en bewustzijnsbeelden (beelden die personages zich voorstellen)
zijn dat tropologische beelden (beelden die zijn vervat in stijlfiguren).
Cinematografisch lezen zet deze beelden in een nieuw licht, ook al sluit de leeswijze aan bij de narratologie en filmanalyse. Via de methodiek van cinematografisch lezen analyseert deze studie het spelconcept van Thomas Rosenbooms roman Gewassen vlees (1994). Deze roman is in recensies veelal aangeduid als ‘historische roman’, zonder dat die typering grondig werd onderbouwd.
Literair-historische kringen vinden dat de roman ‘een spel speelt’, zonder de notie van dat spel nader in te vullen. In Bewegend lezen worden die veronderstelde en verschillende manipulatieve spelcomponenten in kaart gebracht. In hun samenwerking maken zij waar wat Roland Barthes eerder schreef in Het plezier van de tekst (1986a: 9): “de mogelijkheid van een onvoorspelbaarheid van het genot:  opdat de kaarten niet geschud zijn, opdat het tot een spel komt.”
Zoals het citaat van Barthes impliceert dienen lezers zich in dit geval niet consumptief maar productief op te stellen. De leidende vraag hierbij is hoe we Gewassen vlees met zijn enorm beeldend vermogen kunnen lezen met deze nieuwe, cinematografische, leeswijze. Dit alles tegen de achtergrond van de overheersende betiteling, de dominante fictie, van de historische roman. De vraag is dan niet meer alleen hoe de roman omgaat met een bekend verondersteld verleden, maar ook hoe hij zich verhoudt tot een algemeen gangbare vorm
van omgang met het (Nederlandse) verleden.
Om tot een antwoord op deze vraag te komen staat om te beginnen in het eerste hoofdstuk het spanningsveld tussen de handelingsreeks en de beeldreeks centraal. De handelingsreeks is op het narratieve niveau van de fabula de reeks van handelingen en gebeurtenissen.
Daarnaast ontwikkelt zich – tegelijkertijd – de beeldreeks: de series zintuiglijke, bewustzijns- en tropologische beelden. Vervolgens wordt een tweede spanningsveld geïntroduceerd. Dit is het spanningsveld tussen literair realisme en modern realisme. Beide noties zijn ontleend aan de theorievorming van Roland Barthes. Literair realisme richt zich op de pretentie van authenticiteit en sluit het verleden op een bevredigende manier. Modern realisme richt zich op de referentiële illusie die het verleden juist opent, zodat een verbinding ontstaat met het heden. Het onderzoek naar deze twee verschillende spanningsvelden en de analyse ervan leiden tot de destillatie van de spelcomponenten beeld, constructie, bevreemding en heroriëntatie.
Het tweede hoofdstuk stelt een cinematografische close reading centraal van een fragment uit Gewassen vlees. Dat fragment is opvallend omdat het bewijst dat de roman fragmenten bevat die nadrukkelijk buiten de dominante fictie van de historische roman treden. Het fragment is eveneens opvallend omdat de beeldreeksen die erin voorkomen een dubbele cinematografische taal hanteren. Eén die getypeerd kan worden als ‘eisensteiniaanse dialectiek’: inhoudelijk en formeel opponeren de beelden ondanks dat ze nauw samenhangen. En één van ‘hollywoodiaanse vervloeiing of verglijding’ van beelden waarbij de man-vrouwverhouding alle aandacht eist.
De close reading opent hier identificatiemogelijkheden die eerder actueel zijn dan historisch en die de affectieve werking van dit fragment op de lezer bevragen en herzien. Zo wordt een vijfde spelcomponent geanalyseerd, dat van het affect.
Hoofdstuk 3 brengt tekst, theater en film samen, niet om ze gelijk te stellen maar om te bezien hoe ze interageren. Via een herijking van het begrip theatraliteit en aan de hand van beeld, ruimte en camerawerking stelt dit hoofdstuk een onderscheid voor tussen theatraal voyeurisme en cinematografisch voyeurisme. In het eerste geval blijft de kijker-lezer – zoals bekend – veilig, op afstand, in de anonimiteit van de theaterzitplaatsen. In het tweede geval absorbeert de ruimte de voyeuristische kijker-lezer. De werking van de vertellende en bewegende camera is daarvoor bepalend. De kijker-lezer treedt (in figuurlijke zin natuurlijk) vanuit het duister en het nu, dankzij de sturende camerawerking van de verteller, de ruimte van de handeling binnen. ‘Daar’ wordt ‘hier’. Het cinematografisch voyeurisme is naast beeld, constructie, bevreemding, heroriëntatie
en affect het laatste spelelement waarmee de roman de lezer manipuleert en emotioneel ‘beweegt’.
In het laatste, vierde, hoofdstuk maakt de cinematografische analyse plaats voor een cinematografisch-thematische verkenning. Hierbij fungeert cinema als intertekst. Door cinematografisch te lezen is het mogelijk in Gewassen vlees filmische genres en thema’s te
herkennen. Zo manifesteert slapstick zich van Keystone Cops-achtige scènes tot Muppet Showtaferelen; zo transformeert de 18e-eeuwse liefdesbrief tot (internet)porno(film) en zo maakt een klassieke griezelheld plaats voor een modern horrorwezen. Niet alleen in algemene zin maar ook specifiek zijn hier cinematografische interteksten te benoemen: beeldreeksen van Rosenboom roepen cinematografische beelden op van de Nederlandse regisseurs Alex van Warmerdam en Paul Verhoeven.
De uitkomst van dit proefschrift betreft verschillende aspecten. Bewegend lezen maakt op diverse manieren inzichtelijk dat én hoe cinematografisch lezen naar andere identificatiemogelijkheden leidt dan louter historisch-intellectuele. Tevens worden via cinematografisch lezen de noties ‘filmisch’ en ‘beeldend schrijven’ aanwijsbaar en op een verhelderende manier beschrijfbaar. Daarnaast laat deze studie zien hoe het beeldend vermogen van taal affectieve lading verkrijgt dankzij de samenwerking van retorische middelen en cinematografische technieken. Ook laten de hoofdstukken telkens weer zien op welke wijze de roman Gewassen vlees een dominante fictie (van de historische roman) uitdaagt. Tezelfdertijd maakt dit proefschrift duidelijk hoe deze roman een incorporatie van verleden en heden instigeert die een vanzelfsprekende omgang met het verleden ondersteunt maar ook nadrukkelijk ondergraaft.
De slotconclusie van Bewegend lezen is geen samenvatting maar een evaluatie van het voorgaande die de lezers vooral wil confronteren met een principiële vraag. De vraag is of wij niet op  een andere wijze naar het geëvoceerde verleden moeten kijken. Wij kijken nu naar een geconstrueerd verleden en dat kijken is geconstitueerd. Een eerste deel van de conclusie is dat Gewassen vlees in de evocatie van het verleden dubbelspel speelt. Aan de éne kant speelt de roman zodanig in op de dominante fictie van de historische roman door het verleden als een lustobject in beeld te brengen. Dit is een vorm van historiserende pornografie. Aan de andere kant verstoort de roman de dominante fictie door het binnenbrengen van beeldtalen die niet alleen formeel aansluiten bij cinema, maar ook inhoudelijk.

Een cinematografische leeshouding laat aldus het verleden anders zien. Lezers zouden zich, zo luidt een tweede deel van de conclusie, met betrekking tot de geschiedenis minder moeten richten op idiopathische identificatie en zich meer bewust moeten zijn van heteropathische identificatie waar een cinematografische leeshouding toe aanzet.  Voorwaarde is echter wel dat lezers die leeshouding en –wijze kennen en zich actief opstellen, of zoals ooit Gilles Deleuze opmerkte: “Don’t ask what it means, ask how it works”. Elke lezer moet dan een productieve blik ontwikkelen.
‘Elke lezer’ wordt in dit proefschrift uitgesplitst in volwassen lezers en leerlingen die op de middelbare school in aanraking komen met het lezen van literatuur. Waar scholieren vroeger getraind werden in voornamelijk structuralistische analyse, hebben zij de afgelopen decennia vooral verslag moeten doen van hun individuele leeservaringen. Bewegend lezen wil naast deze vroegere benaderingen cinematografisch lezen als een motiverende radicale vernieuwing voorstellen in het literatuuronderwijs. Leerlingen goed leren lezen houdt vandaag de dag in dat zowel taal als beeld recht wordt gedaan.
Dit gebeurt optimaal wanneer teksten worden ingebed in een intertekstueel, interdiscursief en intermediaal veld dat niet alleen van belang is voor onze visie op en omgang met het verleden, maar dat ook actualiteitswaarde heeft.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.