Zeeuwse schrijvers 117: Karel Leeftink

leeftink2Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 117: Karel Leeftink.

ik ben een Zeeuw/ stil stug en zuinig/ in een klein land opgegroeid

*******************************

De dichtende boswachter
Karel Leeftink

door Mario Molegraaf

Dat klinkt alvast goed, een boswachter die gedichten schrijft. De werkelijkheid is zelfs beter, want boswachter Karel Leeftink (geb.1958) schrijft ook nog eens mooie gedichten. Verstandig dus van de Gemeente Middelburg om hem heel dit jaar te laten aanblijven als stadsdichter. Ook in de stad blijft hij trouwens boswachter, we snuiven geen kantoor- maar buitenlucht. Middelburg is, als je op zijn dichtersblik mag afgaan, vooral een vogelstad. Een gedicht ‘Hangjongeren’ gaat over pestvogels, ongewone wintergasten, of in zijn bewoordingen: ‘mooie dametjes mooie heertjes/ noordelijk koel en strak in het pak’. Hij noemt ze verder ‘bonte clowntjes van de taiga’.

Even aandachtig kijkt hij naar de gierzwaluwen: ‘zo stads als het vrijdags carillon’. De letter z is zeer aanwezig in dit gedicht, om het zwieren van deze luchtacrobaten te suggereren: ‘zo luchts en zo licht ze zomer zijn.’ En zie, daar snellen ook slechtvalken. Ze maken heel wat slachtoffers, maakt hij op uit de resten, ‘wat veertjes kluut een vleugel duif’. Maar ‘het echtpaar moordenaar’ zit in de hoogte ‘van de prins geen kwaad te weten’. De dichter, en hij is tot oordelen bevoegd, roept hen uit tot ‘het mooiste koppel van de stad’.

Leeftink bezingt niet alleen de plaatselijke vogels. In zijn stadsgedichten, te lezen op de site van de Gemeente Middelburg, staat hij ook stil bij het succes van korfbalvereniging TOP uit Arnemuiden. En in een lange ode verklaart hij zijn liefde: ‘oh, Middelburg mijn metropool/ mijn stad mijn lust mijn leven/ mijn zin en doel en streven’ en zo nog vele strofen door.

Is er één poëet zo verbonden met de Zeeuwse bodem? In een gedicht, gedrukt in 1997, van de onvermijdelijke titel ‘Luctor et emergo’ voorzien, bekent hij: ‘ik ben een Zeeuw/ stil stug en zuinig/ in een klein land opgegroeid (…) en in dit land/ sta ik/ tot aan mijn knieën in de klei’. Het is, wat mij betreft, de hoogste tijd voor een bundel met Leeftinks beste gedichten. Zodat de lezer die nieuwsgierig is naar dit oeuvre door de bomen het bos kan zien.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.