Tijdschrift Zeeland, winter 2016-2017

2649_001Nu deze dagen het springtij de stormvloedkering bijna in werking zet en er coupures worden gesloten is een artikel over zes eeuwen stormvloeden en overstromingen in de zuidwestelijke delta opeens zeer actueel. Adrie de Kraker – historicus en historisch geograaf – zal het niet geschreven hebben op het moment dat code oranje werd afgegeven. Maar dat maakt niet uit: eb en vloed kunnen in onze regio altijd op aandacht rekenen, zeker als de kalender richting 1 februari gaat. Het verhaal van De Kraker wordt op de cover van het tijdschrift Zeeland al mooi aangekondigd met een 18e-eeuwse illustratie van de ruïne van de Bathse toren op het in 1530 overstroomde Zuid-Beveland.

,,De stormvloeden die tot overstromingen hebben geleid, hebben lang niet altijd zulke ernstige gevolgen voor het cultuurland gehad als doorgaans wordt gedacht. Ook is het aantal slachtoffers per overstroming vaak zwaar overdreven (…).” Daarmee laat De Kraker zich in zijn inleiding meteen van zijn nuchtere kant zien. De meeste stormvloeden deden zich voor in de 15e (4) en 16e eeuw (6). Vervolgens twee in de 17e eeuw en telkens één in de 18e en 19e eeuw. In de 20ste eeuw staan 1906 en vooral 1953 op de stormvloedenkalender. De omvang van de ramp – een sociale constructie – is afhankelijk van het tijdstip, de weersomstandigheden (winter!), de duur – een tweede springtij kan voor veel extra schade zorgen – en de stevigte en hoogte van de lokale dijken. Een tweede stormvloed binnen het tijdsbestek van één à twee jaar kan ook voor veel extra schade zorgen. Zo verdronk Noord-Beveland in 1532, na een al vernietigende vloed in 1530.

Gegevens over de aard en omvang van de schade zijn pas beschikbaar voor de overstromingen in de 16e eeuw en later. De vloed van 1530 resulteerde in: circa 40 procent van Oost-Zeeuws-Vlaanderen kwam onder water te staan, heel Noord-Beveland en het grootste deel van Walcheren, en ook de helft van Zuid-Beveland. De Kraker heeft verder voorbeelden van schade op Noord-Beveland en bij Terneuzen in 1682 en bij Hulst in 1715.

Bij herstel was er vaak gebrek aan dijkmateriaal en dijkwerkers.  Vergeleken met 1400 is er in het jaar 2000 nog steeds sprake van verloren cultuurland. De zuidkust van Schouwen, Reymerswael, het Land van Saeftinghe – de opsomming is niet compleet. Er is ook landaanwinst: met name in het Sloegebied.

De Kraker concludeert: alleen door de overstromingen in 1530, 1570 en 1953 is er veel cultuurland overstroomd. Ook de militaire inundaties tijdens de Tachtigjarige Oorlog hebben in Zeeuws-Vlaanderen veel grond gekost.

Verder in dit tijdschrift Zeeland van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen: het verval van de Schouwse steden Zierikzee en Brouwershaven vergeleken door Jan-Willem de Winter, een reeks tekeningen van het leven van Jezus door Reimond Kimpe, een penning uitgegeven ter gelegenheid van het 31ste jaarlijkse diner van The Holland Society of New York in 1916.

Zeeland, tijdschrift van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, jaargang 25, nummer 4, december 2016.

 

Dit bericht is geplaatst in Tijdschriften, Watersnood met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.