Zeeuwse schrijvers 109: Jacoba Petronella Winckelman

jacobawinckelmanMario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 109: Jacoba Petronella Winckelman 1696-1761.

‘Door haare aanzienlijke afkomst, maar vooral door haare uitmuntende begaafdheden, en zuivere godsvrucht,’ blinkt ze volgens een commentator uit ‘onder Neêrlands reiende maagden.’

 


Beteugel het zondenkwaad
Jacoba Petronella Winckelman 1696-1761

Mario Molegraaf

Middelburg was het Mekka van de natie. We zijn in de achttiende eeuw, de stad was een fort van vroomheid, een doolhof van dominees, profeten leken elkaar te verdringen, eerder voor de poort van de hel dan voor die van de hemel. Een van de grote geloofskampioenen was de Vlissingse burgemeestersdochter Jacoba Petronella Winckelman. Haar geboorte lijkt een biologisch mirakeltje, reken maar na: haar vader stierf op 15 februari 1696, zij kwam ter wereld op 8 november van dat jaar. De dood van de dichteres op 30 augustus 1761 was, tenminste in de beschrijving door haar nicht in ‘Het godvruchtig leven en zalig afsterven van J.P.W.’, ronduit een wonder.

‘Door haare aanzienlijke afkomst, maar vooral door haare uitmuntende begaafdheden, en zuivere godsvrucht,’ blinkt ze volgens een commentator uit ‘onder Neêrlands reiende maagden.’ Haar poëzie, verzameld in ‘Stichtelijke gedichten’, getuigt van een leven lang peuteren in de psyche, hang naar heiligheid. Het zondige Nederland krijgt er van langs, vanuit Middelburg wordt opgeroepen ‘tot een spoedige en oprechte bekeering’. Gods zwaard is al gewet, schrijft ze bijna handenwrijvend. Maar ze laat het niet bij laken van anderen, ze kijkt vooral in de spiegel, verontschuldigt zich hoogst persoonlijk tegenover God: ‘Ik ben uw gunst onwaerdig:/ Ik heb, door myn gedrag, uw taai geduld getergd.’

Ze vreest voortdurend het drietal ‘waereld, Satan, vleesch’. Haar oeuvre is één lange oproep ‘het grouw’lyk zondenkwaad’ te beteugelen. Het probleem is dat ze over al deze kwalijke dingen niets geloofwaardigs weet te zeggen, ze worden geen dreigende werkelijkheid maar blijven benepen hersenspinsels. Haar grootste zonde was haar onuitstaanbare braafheid. Je gaat snakken naar een beetje wereld, Satan, vlees. Of desnoods naar een páár verfrissende regels die ze hier en daar geeft: ‘Welk een zegen,/ Dat zoo aangenaam een regen,/ Daalt op ’t dorstig aardryk neêr.’ Haar nicht bericht: ‘Oprecht was zy voor den Heere.’ Dat zal best, maar ze hield zichzelf en haar lezers voor de gek. Naar dit Middelburg wil ik niet, en trouwens ook niet naar Mekka.

 

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.