Zeeuwse schrijvers 106: Isaac Faro

farorokkenjagersMario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 106: Isaac Faro (1922-2003).
Maar zoals ongeveer alles bij Faro had de lach een dubbele bodem. Hij vertelde op vrolijke toon over een sombere wereld. De schrijver bleef graag op afstand en dichtte zijn verhalen liefst aan een ander toe.

Homerus van de Lichte Muze

door Mario Molegraaf

Niets wijst erop dat het om een schrijversgraf gaat. ‘Ter nagedachtenis aan mijn man, onze vader en opa Cornelis Israël,’ staat op de steen in Kortgene. Israël (1922-2003), de in Amsterdam geboren zoon van een Zeeuwse molenaarsdochter, had een oeuvre met alles erop en eraan. Onder het pseudoniem Isaac Faro, en lang was de grote vraag wie zich daarachter verstopte. Men noemde indertijd vaak Karel van het Reve, een groot compliment voor de kwaliteit van dit werk. Het bleek een zwager van hem, opgeleid als waterbouwkundige. Van die achtergrond zie je in Faro’s proza sporen. ‘Daar is de coupure in de dijk,’ beweert iemand in De rokkenjagers (1963). Zouden u en ik niet zeggen. Zeeland is vaak het decor, het land waarnaar het hart van de schrijver uitging, het land waar hij uiteindelijk ging wonen en dus begraven ligt.

Aangenaam is zijn gebrek aan ernst. Op de flap van De knagende worm. Uit de papieren van Jacobus Nachtegaal (1964) prijst men de auteur zelfs aan als ‘een Homerus van de Lichte Muze.’ Maar zoals ongeveer alles bij Faro had de lach een dubbele bodem. Hij vertelde op vrolijke toon over een sombere wereld. De schrijver bleef graag op afstand en dichtte zijn verhalen liefst aan een ander toe. Zo wordt zijn debuut Heksen huilen niet of De oranje pyama (1961) gepresenteerd als een keuze ‘uit de manuscripten mij toegezonden door mijn vriend Isaak, die enige jaren geleden uit de hoofdstad is teruggekeerd naar zijn landelijke geboorteplaats’. We belanden in oorden als Schenge, Wenskerke en de Ongewispolder.

In De knagende worm gaan we, via een gefingeerd dagboek, terug naar het Zeeland uit de zeventiende eeuw. Maar het meeste leesplezier biedt De rokkenjagers, een meer dan bizarre detectiveroman. ‘Over modderige polderwegen en binnendijken in een geleidelijk dichter wordende mist’ rijden we richting Vroondike en Waterdune. Intussen spreekt men in en buiten de auto Zeeuws. Zo vraagt een liftster: ‘Mos je soms nae Ghoes?’ Het waren schitterende woorden geweest voor het graf van een Zeeuwse schrijver.

 

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.