Naar Zeeland

naar zeelandWas Zeeland tot de 19e eeuw echt zo moeilijk bereikbaar? Kennelijk. Pas na 1800 zijn er schilders die zich door het Zeeuwse leven, water en land laten inspireren. Dat is de reden dat in het boek Naar Zeeland van Ad Beenhakker het eerste schilderij – een aquarel van Abraham Krayesteyn (1793-1855) – in 1822 is gemaakt. ‘Winterlandschap op Walcheren’ heet het werk. Het echte eerste werk in de mooi verzorgde uitgave, ‘Gezicht over het Sloe’ van Jan Arends, is een gewassen pentekening uit 1783. Die tel ik voor het gemak even niet onder de landschapsschilderijen. Naar Zeeland begint in 1823.

Aan de hand van zestig werken van 58 kunstenaars doorlopen we twee eeuwen landschapsschilderkunst. Het is een prettige manier om van verleden naar heden te koersen. Van Abraham Krayesteyn naar het abstracte werk van Dave Meijer.

Beenhakker geeft bij elk schilderij een biografie van de schilder en gaat vervolgens in op het schilderij: de techniek en de afbeelding, de locatie. Bijvoorbeeld ‘De haven van Philippine’ (1911) van Constant Permeke (1886-1952): eerst wordt er verteld over ‘de reus van de Vlaamse schilderkunst’, over zijn jeugd in Oostende, hoe hij in 1914 gewond raakt bij de verdediging van Antwerpen en voor herstel naar Engeland gaat, dat hij zich in 1919 weer in Oostende vestigt en tien jaar later naar Jabbeke verhuist, dat hij naast schilderijen ook beelden en grote houtskooltekeningen maakt. Wat het schilderij betreft: Belgische kunsthistorici lokaliseren het in Oostende of aan het kanaal Gent-Terneuzen. Beenhakker is zeker van zijn zaak: ,,Het is echter zonder enige twijfel een gezicht op de oude haven van Philippine, nog in volle glorie als vissershaven.” Als bewijs voert hij de registratie van de hoogaars aan: PI 78.

Ad Beenhakker: Naar Zeeland. Schilders van het Zeeuwse landschap – Uitgeverij Den Boer | De Ruiter, 144 pagina’s, 22,50 euro.

Bestel: Naar Zeeland

***************************************************

touwslagerij

Jan de Munck (1866-1943): Touwslagerij te Hansweert, omstreeks 1925, olieverf.

 

 

 

Voor een interview in de PZC heb ik uitgebreid met de schrijver en samensteller van het boek gesproken.

PZC van zaterdag 2 juli 2016

Het landschap heeft een schilder nodig

Ad Beenhakker voelde zich als planoloog lange jaren de dokter van het Zeeuwse landschap. Nu biedt hij ons landschappen van schilders, die zich net als hij door Zeeland lieten inspireren.

door Jan van Damme

Nee, je geeft het hem bij lange na niet. Ad Beenhakker beent bedrijvig op en neer in zijn huis in de Spuistraat in Middelburg. Het is het stukje straat waar alleen fietsers en wandelaars komen. Vaak groepjes toeristen, die hardop uit hun stadsfolder lopen voor te lezen, over de spuikom en andere geschiedenis. Dat kan hij in het voorportaal van zijn huis goed horen.

De Timmerwinkel, staat er boven de voordeur. Zelf bedacht, die naam. Zijn grootvader was timmerman, zijn vader gaf praktijklessen timmeren in Goes.

Ad Beenhakker is – wat je noemt – niet groot van stuk. Veel haar heeft hij niet meer, het is alsof het grotendeels van boven op zijn hoofd naar zijn kin is gezakt. Toch: 82 jaar? Nee, zelfs als je goed kunt schatten kom je bij lange na niet zo hoog uit.

De aanleiding dat we aan zijn deurbel trekken ligt tastbaar in de huiskamer: een hele stapel nog naar de drukkerij geurende exemplaren van een nieuw Zeeuws kunstboek. Naar Zeeland! Schilders van het Zeeuwse landschap. De letters doen het goed op de cover. Met dank aan het Scheldezicht, een pointillistisch schilderij van Théo van Rysselberghe uit 1893, dat bijna integraal op de voor- en achtercover prijkt. Het biedt een wijde blik vanaf de duinen bij Cadzand richting Vlissingen.

Hij zegt het vol overtuiging: ,,Voor mij is het één van de mooiste gezichten op Zeeland, ooit geschilderd. Het hangt in het Haags Gemeentemuseum, waar ze het als een gezicht op Scheveningen presenteren.”

heyse

Jan Heyse (1882-1954): Tulpenvelden bij Westkapelle, 1912, olieverf op paneel.

 

 

 

Het boek wordt volgende week zaterdag officieel gepresenteerd. Is er reden om de vlag op de gevel van de Timmerwinkel te laten wapperen?

Met de nieuwe uitgave in de hand zegt Beenhakker: ,,Kijk, dit is nou helemaal een boek zoals ik het graag wilde maken. Het doet me genoegen, van begin tot eind. Het is waarschijnlijk het laatste met de hand geschreven boek in Nederland, een lieve secretaresse heeft het voor me overgetypt. Ik heb het helemaal volgens mijn plan kunnen uitvoeren: een inleiding en vervolgens zestig schilderijen van achtenvijftig kunstenaars met de biografische gegevens van de schilder en het werk ernaast. Slechts twee schilders krijgen twee schilderijen in het boek: Jan Toorop en Piet Mondriaan. Zij zijn natuurlijk belangrijk. En Zeeland was voor hun ontwikkeling van groot belang. Ik heb me in deze uitgave beperkt tot landschappen in kleur. Dus niet het pure zeegezicht en ook niet het pure stadsgezicht. Het landschapsschilderen begint in Zeeland pas na 1800. Jan Arends is de eerste kunstenaar. Niet de Arends van de buitenplaatsen, maar wel die van de gezichten op het Sloe.”

De serie loopt door tot in de tegenwoordige tijd. Landschappen van Adri Geelhoed, Theo Jordans en Dave Meijer sluiten de rij. Alle Zeeuwse regio’s komen aan bod. Hoewel, Noord-Beveland wordt niet met zoveel woorden genoemd. ‘Landschap met voren’ van Antoine Mes geeft wel een beeld dat eigenlijk alleen op dat eiland gevonden kan worden.

loeber

Lou Loeber (1894-1983): Zeeland, 1923, olieverf op hardboard.

 

 

 

Er zitten verrassingen in het boek. Beenhakker is er – geeft hij toe – best een beetje trots op dat zelfs kunstkenners zich verbazen. Over bijvoorbeeld het werk ‘Lente in Schore’ van Theodoor Verstraete. Of het schilderij ‘De haven van Philippine’ van Constant Permeke, dat onder een valse naam in het museum in Jabbeke hangt. Of de Rus Leonid Sologoub, die in 1914 Zoutelande schilderde. Van hem had helemaal niemand nog gehoord. Ook Lou (Louise Marie) Loeber moet genoemd worden, zij schilderde in 1923 een ongekend abstract Zeeland.

Het is bepaald niet het eerste kunstboek dat Beenhakker het licht doet zien. Hij schreef deze 21ste eeuw al portretten van de schilders Piet Rijken, Antoine Mes en de familie Vaarzon Morel.

Alsof u heel uw leven in de kunstbeschouwingen zit. Dat is niet het geval. Hoewel landschap wel altijd een rol heeft gespeeld.

,,Soms word ik Adri genoemd. Als dat gebeurt, dan weet ik dat ik met iemand uit mijn school- of studententijd te maken heb. Het is Adriaan Jacobus voluit, naar beide opa’s, zoals het hoort. Ik ben geboren in de Buys Ballotstraat, toen Kloetinge, tegenwoordig Goes. Mijn wieg stond tien meter van de gemeentegrens. De eerste, er volgden nog drie zusjes. Ik was ook het eerste kleinkind. Mijn lagere schooltijd was oorlogstijd. Mijn middelbare school valt samen met de wederopbouw. Ik was één van de eerste gymnasiasten op het Goese Lyceum.”

U hebt gymnasium-B gedaan. Een echte technicus?

,,Ik was ook goed in talen. Mijn Duitse leraar drong er echt op aan dat ik Duits zou gaan studeren. Ik koos voor weg- en waterbouw in Delft. Een romantische keuze, mijn vader zat ook in die richting. Het was 1952 en iedereen raadde me die studie af. Het na-oorlogse Nederland was immers afgerond, er zou straks geen werk voor me zijn. Na een half jaar kwam de Ramp. Toen ik klaar was lagen de banen voor het opscheppen. Eén van de hoogleraren bij wie ik afstudeerde was J. Th. Thijsse, de oudste zoon van de beroemde Jac. P. Thijsse. Hij nodigde me uit om op zijn Waterloopkundig Laboratorium te komen werken. In de Noordoostpolder lagen openluchtmodellen. Ik kreeg daar te maken met het model van de sluiting van het Veerse Gat. Dat is het gekke, Zeeland blijft in mijn leven altijd een rol spelen.”

U komt in 1961 bij het arrondissement Terneuzen van Rijkswaterstaat terecht, waar toen nieuwe sluizen werden geplaatst en het kanaal werd verbreed. In 1965 stapt u over naar de Rijks Planologische Dienst in Den Haag. De ruimtelijke ordening van Nederland stond op het programma.

,,Dat was ontzettend ambitieus. Het was de tijd van het maakbare Nederland, we waren bezig Nederland te ontwerpen. Ik kreeg te maken met de aanleg van het industrieterrein Moerdijk. Voor het eerst werd er toen gesproken over de aanleg van groenzones. Zo kwam ik in het landschapsbeleid terecht. Ik had in Delft les gehad van Jan Bijhouwer, een aan Wageningen verbonden tuin- en landschapsarchitect. Ecologie werd ook een begrip. Ik kwam in contact met biologen. Daardoor kon ik in 1973 de overstap maken naar Zeeland, waar ze bij de Provinciale Planologische Dienst iemand zochten die zich met natuur en ecologie wilde bezig houden.”

Wat deed uw bureau Natuur en Landschap van de provincie Zeeland eigenlijk?

,,Inventarisatie van de vegetatie, broedvogelonderzoek, dat soort werk deden we. We maakten kaarten met de natuurwaarden. Ons pionierswerk zag je terug in het beleid, als er gebieden werden aangewezen waarvoor aanlegvergunningen nodig waren.”

Nu zijn de planologische diensten opgeheven.

,,Ook in Zeeland. Als planoloog ben je de dokter van het landschap. Het is inmiddels een verdwenen beroep, net als koetsier en putjesschepper. Rijk en provincie hebben de planologische taken naar de gemeenten doorgeschoven. Op dat niveau kijken ze alleen naar hun eigen grondgebied. De recreatiebebouwing is vaak van een ontzettende knulligheid. De weg Terneuzen-Oostburg, ik vind het een aanslag. De toegangen van Middelburg en Goes vanaf de autoweg zijn niet om aan te zien. Gelukkig zijn er schilders, die je laten kijken. Als je hier ergens in de polder loopt kun je zomaar het gevoel krijgen: daar heb je Antoine Mes.”

geelhoed1

Adri Geelhoed (1957): Spoorwegovergang bij het dorp in de zomer en in de winter, 2009, acryl op doek.

 

Spoorwegovergang bij het dorp in de winter

 

 

 

Kader:
Ad Beenhakker werd 1 juni 1934 in Kloetinge geboren. Na zijn gymnasium-B studeerde hij weg- en waterbouwkunde aan de Technische Hogeschool – nu de Technische Universiteit – in Delft. Hij werkte bij het Waterloopkundig Laboratorium, Rijkswaterstaat en de Rijksplanologische Dienst. Van 1973 tot 1991 was hij hoofd van het bureau Natuur en Landschap van de provincie Zeeland. Beenhakker publiceert regelmatig over landschap en geschiedenis van Zeeland. Ook schrijft hij kunstboeken. Zijn nieuwste boek Naar Zeeland. Schilders van het Zeeuwse landschap (uitgeverij Den Boer | De Ruiter, 22,50 euro) werd zaterdag 9 juli om 16.00 uur gepresenteerd in het Marie Tak van Poortvliet Museum in Domburg. De naar aanleiding van het boek samengestelde expositie is te zien tot 6 november.

Dit bericht is geplaatst in Kunstboeken met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.