Het pryeel van Zeeland

pryeelDit boek gaat mijn ‘korte bestek’ te boven. In de Zeeuwse en heemkundige tijdschriften zie ik soms meer dan een jaar na de publicatiedatum een recensie verschijnen. Die luxe heb ik niet. Het pryeel van Zeeland van Martin van den Broeke verdient een gedegen bespreking van een schrijver, die thuis is in de geschiedenis van de buitenplaatsen. Je zou daarvoor weken, zo niet maanden moeten kunnen uittrekken. Die tijd heb ik niet. Vandaar dat ik me tot een luchtig signalement beperk aan de hand van een interview met de auteur. Om te beginnen plaats ik het artikeltje dat in de PZC is verschenen. Daarna nog enkele aanvullende notities.

***********************************************

Buitenplaatsen op Walcheren herleven

PZC 30 juni 2016

Martin van den Broeke neemt ons mee naar de tijd toen Walcheren nog honderden buitens telde. Naar het ‘pryeel’ van Zeeland.

door Jan van Damme
Foto3Als kind speelde Martin van den Broeke (1975) op het Munnikenhof bij zijn geboortedorp Grijpskerke. Ouders van een meisje in zijn klas woonden op de boerderij naast het hof en waren huisbewaarder. Zo kon hij er gemakkelijk terecht. Een gracht en een toren, dan heb je al gauw een kasteel. In de zomervakanties namen zijn ouders hem mee naar kastelen in België en Nederland. De vonk sloeg helemaal over toen hij het schilderij van het Munnikenhof boven de balie van het Zeeuws Museum in Middelburg zag, in 1659 gemaakt door Willem Schellinckx. Dat schilderij siert nu zijn studie Het pryeel van Zeeland, waarop hij donderdag 30 juni 2016 aan de Rijksuniversiteit Groningen hoopt te promoveren bij de bijzondere leerstoel Historische Buitenplaatsen en Landgoederen en bij het in 2010 opgerichte Kenniscentrum Landschap.
,,Mijn proefschrift is een echt hobbyproject”, zegt Van den Broeke. Hij studeerde rechten in Rotterdam en Leeds en is beleidsmedewerker bij het ministerie van Economische Zaken.
In zijn vrije tijd is hij al bijna twintig jaar bezig met (archief)onderzoek naar buitenplaatsen. In Zeeland waren twee regio’s, waar veel buitenplaatsen te vinden waren: rond Zierikzee en op Walcheren.
Van den Broeke publiceerde in 2014 een boek over buitenplaatsen in Noordgouwe. Nu richt hij zich op Walcheren in de periode 1600- 1820, de bloeitijd van de buitenplaatscultuur. Rond 1750 stonden er voor Walcheren 139 buitenplaatsen op naam geregistreerd. Daar kunnen nog zeker 150 boerderijen met herenkamers en koepeltjes aan worden toegevoegd. In de 17e eeuw waren het vaak handelaren die een buiten op het platteland als geldbelegging hadden. Een eeuw later kwamen de buitens meer in handen van stedelijke regenten. En rijke boeren, die vanaf 1725 buitenplaatsen opkochten om die te slopen.
Door de inundatie van 1944 en de herverkaveling daarna zijn vrijwel alle sporen van de buitenplaatsen uitgewist. Van den Broeke neemt de lezer mee in een verdwenen wereld.

Martin van den Broeke: Het pryeel van Zeeland. Buitenplaatsen op Walcheren 1600-1820 – Uitgeverij Verloren, hardcover, 517 pagina’s, 49,- euro.

*******************************************

Losse notities:

De centrale vraag in het onderzoek is: Welke motieven en functies lagen ten grondslag aan het ontstaan, de groei en de teruggang van de buitenplaatscultuur op Walcheren in de periode 1600-1820 en hoe bepaalden die motieven en functies de aanleg en vormgeving van die buitenplaatsen?

Van den Broeke: ,,Ik had het boek nog drie keer zo dik kunnen maken, met alle feitenmateriaal dat ik verzameld heb. In december heb ik op het geheel van 170.000 woorden nog 20.000 woorden geschrapt. Ook heb ik meer dan honderd afbeeldingen weggelaten.”

Van den Broeke: ,,Ik heb een compleet nieuw analysemodel ontwikkeld, dat voor andere onderzoekers naar buitenplaatsen bruikbaar is. Ik gebruik drie instrumenten om te analyseren. Ten eerste de periodisering – over een langere periode, wel opgedeeld in deelperiodes. Ik introduceer ook een ruimtelijke driedeling, drie zones: langs de stadssingel, binnen de stadsrand en op het platteland. En ik onderscheid vier functies: plezier, profijt, machtssymbool en teken van aanzien. Dit model is nooit eerder toegepast. Het is ook bruikbaar voor onderzoek in het buitenland.”

,,In de 17e eeuw was er sprake ven aan enorme dynamiek. Een buitenplaats kon ook weer tientallen jaren als boerderij in gebruik worden genomen, en andersom. Dat hing skamen met de dynamiek van handel en landbouw. In de 17e eeuw had een buitenplaats een eigenaar, in de 18e een bewoner. In de 17e eeuw was een buitenplaats handelswaar, rond 1800 waren de regentenfamilies gesetteld en werd een buitenplaats onderdeel van de familiegeschiedenis.”

,,In de 17e eeuw was geldbelegging in grond belangrijk. Rond Vlissingen hadden kapiteins en kooplui een buitenplaats als teken van hun kredietwaardigheid. Ze namen soms ook een hypotheek op hun buitenplaats om te kunnen investeren.”

,,Rond Oostkapelle en Vrouwenpolder streken de bestuurders van Middelburg en Zeeland neer. Zij waren de allerrijksten en verzamelden heel veel grond rond hun boerderijen.”

,,De afbraak van buitenplaatsen begint al in het tweede kwart van de 18e eeuw. Boeren waren toen zo rijk, dat ze veel grond konden kopen. Ze kochten ook buitenplaatsen. Dat was toen dus meer een teken van welvarende landbouw dan een teken van verval. Ze lieten de bomen rooien en de huizen slopen.”

Dit bericht is geplaatst in Architectuur, Buitenplaatsen met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.