Zeeland, tijdschrift van het Zeeuwsch Genootschap, zomer 2016

2334_001Anton van Haperen (1949) is duinenspecialist. Dat laat hij eens te meer zien in het nieuwste nummer van Zeeland, het tijdschrift van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Hij schrijft daarin over ‘de biodiversiteit van het duinlandschap in historisch-geologisch perspectief’. Spontaan stuivende duinen zijn volgens hem vrijwel verdwenen. Bijna alle duinen zijn vastgelegd en hebben een functie als zeewering en natuur- en recreatiegebied. In Zeeland komen alleen op de Kop van Schouwen nog stuifduinen voor: in het Zeepe en de Meeuwenduinen is beplanting gerooid en ruigte verwijderd, speciaal met het oog op verstuiving.

De grote omslag in het duinlandschap kwam midden vorige eeuw, toen vrijwel alle duinen werden vastgelegd. Dat dat toen wel en eerder niet lukte, ligt volgens Van Haperen aan een aantal factoren. Hij noemt de zachte en vochtige winters, waardoor planten in de duinen eerder beginnen en langer doorgaan met groeien dan enkele eeuwen geleden. Daarbij komt dat de konijnenpopulatie (duinherbivoren) als gevolg van ziekte sterk is achteruitgegaan. Ook wijst hij op de ‘depositie van stikstof’: ,,Anno 2015 valt er met de regen jaarlijks circa dertig kilo stikstof per hectare op onze duinen, tegen vijf kilo honderd jaar geleden.” De stikstof is afkomstig van de intensieve veehouderij, industrie en verkeer.

Is de fixatie van de duinen een probleem? Van Haperen noemt licht- en warmteminnende planten- en diersoorten, die zich na de ijstijden relatief snel over Europa konden verspreiden. Met name in het duinlandschap hebben die soorten lang stand kunnen houden: ,,Dat heeft te maken met het dynamische karakter van het duinlandschap, waar erosie en sedimentatie door de zee samen met verstuiving door de wind zorgden voor een voortdurende verjonging van het duinlandschap.” Daardoor konden de duindoorn, het zonneroosje, de duinruit, het zandviooltje en vele andere planten in de duinen overleven. Net als de zandhagedis en de levendbarende hagedis, de tapuit en de grauwe klauwier. Doordat vele duinen nu zijn vastgelegd, gaan deze soorten achteruit of zijn er zelfs verdwenen.

Martin van den Broeke (1975) promoveert op 30 juni aan de Rijksuniversiteit Groningen op een onderzoek naar buitenplaatsen op Walcheren in de periode 1600-1820. In dit nummer van Zeeland vraagt hij aandacht voor het Huis te Oostkapelle, dat in de jaren 1796-1807 werd gesloopt. Eigenaar Johan Steengracht (1782-1846) zag zich daartoe gedwongen, omdat Franse militairen er hun intrek in hadden genomen. Steengracht protesteerde daartegen, tevergeefs. In 1804 begon hij met de ontmanteling van de buitenplaats, in 1805 verkocht hij het geheel voor 56.000 gulden aan handelaar Martinus Tak en zonen in Middelburg.

Erik-Jan Dros (1992) volgt de masterstudie History of Europe 1000-1800 aan de Universiteit van Leiden. Hij schrijft over de economische effecten van de Tweede Vlaamse Opstand in Zeeland in 1488, toen Vlaamse en Brabantse steden in opstand kwamen tegen aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk.

In de artikelenserie ’t Is vol van schatten hier – over de verzamelingen van het genootschap – schrijft Mark Bosselaers over ‘walvispokken’, Jan Piet Bekker vertelt over de collectie mammoetkiezen.

Zeeland, tijdschrift van het Koninlijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, jaargang 25, nummer 2, juni 2016.

Dit bericht is geplaatst in Tijdschriften met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.