Herinneringen aan Zeeland

campertVerliefd op Walcheren

door Jan van Damme
We kennen Jan Campert (1902-1943) als de dichter van ‘Het Lied der Achttien Dooden’ – over de executie van verzetsstrijders in 1941. Twee jaar later kwam hij om in concentratiekamp Neuengamme. Na de oorlog werd hij als een verzetsheld geëerd. Jan Campert was journalist, dichter en schrijver. Dichter Remco Campert (1929) is zijn zoon.


Minder bekend is, dat Jan Campert van zijn derde tot zijn achttiende jaar in Westkapelle woonde. Zijn vader werd daar in 1905 huisarts. Jan ging er naar de lagere school. De middelbare school volgde hij in Middelburg, vervolgens de tweejarige handelsschool in Vlissingen. Door de week bleef hij met andere dorpsgenoten op kamers in Middelburg bij hospita mevrouw Boddaert.
Die jeugd op Walcheren heeft hem nooit losgelaten. Dat blijkt uit zijn gedicht ‘Lof van Walcheren’. En, misschien sterker nog, uit de serie van 34 artikelen die hij van 13 oktober 1928 tot 6 juli 1929 publiceerde in het weekblad Ons Zeeland van de firma G.W. den Boer in Middelburg. Hij was toen journalist in Den Haag.
In de artikelen beschrijft – beter gezegd: bezingt – hij zijn jeugd op Walcheren: de dorpen, de stadjes, het landschap, de mensen, de zee, zijn scholen, de stoomtram. Adriaan (Jons) Viruly, zoon van de burgemeester van Westkapelle en later vliegenier, was zijn beste vriend. Zijn jeugdliefdes komen aan bod, zoals Wantje van Lou van Siene.
,,Naar de vlakke domeinen, naar de heldere, matelooze luchten, naar het geheim der eeuwige zee word ik telkens weer getrokken en onze ontmoeting is altijd èven teeder. Verliefder dan ooit zwerf ik dan voor enkele dagen langs de smalle wegen, door de kleine, vriendelijke dorpen en ik drink mij een roes aan de zomersche weelde, die nergens uitbundiger bloeit dan in mijn ‘zee-omgorde tuin’, in Walcheren…’’
De 34 verhalen van Jan Campert worden nu opnieuw uitgegeven: Herinneringen aan Zeeland.
Op deze pagina leest u fragmenten uit het boek.

Westkapelle
Als het aandoenlijk Walchersche stoomtrammetje mij aflevert, heb ik al van Zoutelande af uit het raam gehangen en hoe grooter de forsche vuurtoren z’n contouren teekent tegen den hemel, hoe verheugder ik word. Als ik langs den smallen straatweg, recht het dorp door naar den dijk loop, is het mij of er geen vertrouwder plaats ter wereld bestaat en als ik van af den dijk plotseling, wijd en oneindig, de zee voor mij zie uitgespiegeld, dan ben ik volmaakt gelukkig. Groot is Westkappel niet. Het verheugt zich in het bezit van één rechte, lange dorpsstraat, waarlangs de lage huizen geschaard staan, en daaromheen voeren zijstraten na een niet al te lange wandeling mij al heel vlug tusschen de weiden en akkers.

Wantje
En Wantje … hoe is het met je-zelf ? Ik kan je nu nog precies voor oogen brengen. Je bent ongetwijfeld een van die kleine, donker-oogige, schattige Walchersche boerinnetjes geweest met die enge, ingepende middeltjes en groote wit-kanten mutsen. Zondags droeg je gouden strikken aan je krullen, een rood-koralen ketting om je hals en een mooi-gekleurde ‘beuk’ en je snoepte dan met je vriendinnen uit een zakje kleverige zuurtjes en pepermuntjes, waarvan er dan voor mij wel eens een over bleef en je had in je zak een kleine lodderijn-flesch met zilveren stop. Maar lièf was je en over je uitgepraat ben ik nog niet.

De boschjes halfweg Zoutelande en Westkappel
Uren-lang kropen wij op onzen buik over den grond onder het lage hout, ons voorzichtig windend tusschen de bramenslingers en er op bedacht niet het minste geluid te maken, wanneer het er om ging een vijandelijk kamp zoo dicht mogelijk te benaderen en te bespioneeren. Uren-lang lagen wij op de loer langs den zandweg of eindelijk het rijke transport zou arriveeren, waarna wij ons meester konden maken van de kostbare goederen en vrouwen … De mannen, die ons als gevangenen in handen vielen, moesten stuk voor stuk aan den martelpaal sterven. Onder de vreeselijkste pijnen moesten zij bezwijken met een glimlach op het gelaat, terwijl hun vrouwen het schouwspel moesten gadeslaan. (…) Die boschjes, ik hoop dat ze nu verdwenen zijn, want wij groeiden er op als kleine Nero’s, onze hersens afpijnigend om de wreedste martelingen te bedenken.

Middelburg
In den avond kom je er aan. Het schemerende licht van den zomer-avond valt over het stadje en hult het zacht en omzichtig binnen zijn verteedering. Tegen den diep-blauwen hemel spitsen de silhouetten: de Lange Jan, slank en recht, het Stadhuis, grillig kantwerk. De stilte komt je overweldigend tegemoet, veroverend en je weet plotseling: dit is ’t, hiernaar heb ik verlangd temidden van het jagend geweld der groote steden, naar deze rust die nu voor korten tijd mijn hart en mijn geest in beslag zullen nemen. Je ontdekt onmiddellijk Middelburg, het wèzen der stad en je moèt mee, het laat niet van je af …

Abdij
Als ik over de Abdij spreek, raak ik bij mezelf een teere snaar aan. Daar, en dáár alleen, beluister je het hart der wereld. Onder de hooge boomen, tusschen de oude, massieve gebouwen besloten, hangt de stilte: zuiver en ongerept. De rest valt waardeloos weg. Het heeft geen zin en geen beteekenis meer. In den zomer-avond weerklinken je trage voetstappen ongewoon hard. Ga zitten, er staan lage, houten banken. Door het dichte loover zie je hier en daar de lucht, er zijn meer sterren ontbloeid en ginds wordt waarachtig een straatlantaarn ontstoken. Een late vogel slaat, dan valt de stilte diep en onontkoombaar. Je bent alleen, zóó alleen.

Eerste Wereldoorlog
Maar blijf er als jongen eens koud onder als je in je eigen kleine dorp niets anders meer ziet dan uniformen, uniformen en nòg eens uniformen. Als ze je duinen afzetten en er levensgroote batterijen neerplanten met het zwaarste geschut dat ons aardig legertje rijk was, als elken avond de zoeklichten, die aan het einde van den dijk stonden opgesteld, zwaaien en zwieren door de duisternis: speurende, speurende …

Westkappelaars
De mannen leken er krachtiger, ook ruwer dan elders, de vrouwen waren er grooter en donkerder. Zij waren, in tegenstelling met de anderen, die welhaast uitsluitend kinderen van het land waren, ook kinderen der zee. Er leefde in hen iets van de woeste uitgestrektheid van het water, zij hadden deel aan de ruime winden die in den herfst en des winters van over zee kwamen aangevlogen.

Domburg
Het had in die jaren (en nóg) de charmes van een groot-willende badplaats en tegelijkertijd het onoverkomelijke van een lief en rustig dorpje. Zoo zal het wel tot in lengte der dagen blijven en dat is maar goed ook. Juist deze tweeledigheid maakt het veroverende element van Domburg uit, het is haar kracht. Want de meer mondain-geneigde badgast vindt er zijn paviljoen, zijn tenniscourts en golf-links, terwijl hij die de rust zoekt deze gemakkelijk kan vinden in de duinen, de Manteling, de hooge bosschen rondom Kasteel Westhove.

Walcheren
Het was alsof het leven zóó snel gebeurde dat het wel stil leek te staan. Achter ons lag Walcheren. Het koren was tot vollen wasdom gerijpt, de volle, vette aren wachtten enkel nog de scherpe, blikkerende zeis. In de fèl-groene weiden rustten de dieren aemechtig onder de smalle schaduw van een enkelen boom of liepen langzaam naar een welhaast verdroogde waterput. Wit van stof slingerden zich de wegen door het land, de stille wegen, die Walcheren’s dorpen verbinden. Nergens viel eenig leven te bespeuren. Oppermachtig en verpletterend heerschte de zomer over water en land.

Veere
Veere! Het ligt daar aan den hoogen waterkant zoo vergeten wellicht als geen plaats ter wereld en als geen plaats ter wereld daar neergezet met zulk een geraffineerde achteloosheid. (…) Men blijft er een dag, twee dagen, men verorbert de traditioneele lunch in den Campveerschen toren, laat zich rondleiden door het Schotsche Huis, waar de Veersche schilders exposeerden, en men bezoekt het stadhuis, waar de vriendelijke, grijze veldwachter er zijn historische kennis zal opdisschen.

Vlissingen
Een ongewone bedrijvigheid treft het oog en ook het uiterlijk van deze plaats verraadt veel. Zie de tramrails, de arbeiderswijken, de havens en zie vóór alles: de Scheldefabriek, die met zijn kranen en gebouwen hoog boven alles uitsteekt, die domineert, waaraan Vlissingen onderworpen is. Deze grauwe kolossus van ijzer en glas beheerscht Vlissingen en schrijft haar zijn wet voor. Iederen dag dreunt daar van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat het jagende lied van den arbeid, indringend en on-onderbroken. En gij ontkomt er bezwaarlijk aan, het grijpt U in zijn machtigen, knellenden greep en gij zijt vergeten: hoe dit alles vroeger was! Maar Vlissingen heeft meer. Het heeft de zee en het heeft boulevards, waar het des zomers goed flaneeren is, daar zou ik U vele staaltjes van kunnen vertellen… Vergis ik mij? Of maakt zelfs de zee hier een zakelijker indruk? Groote stoomers varen af en aan, een visschersboot zeilt uit. Hier weet men wat het water waard is en waartoe het den mensch dienen kan. Het heeft alle poëtische glans verloren.

Zoutelande
Is dat nu uw klein, aardsch paradijs? vraagt ge mij ontsteld. En ik herhaal: Ja, dit is nu mijn klein aardsch paradijs! Waarom? Ik weet het niet, of … wacht, misschien, misschien weet ik het tóch! Misschien is het omdat het zoo kleintjes ligt weggedoken achter de hooge duinen, schuchter en lief als een bedeesd kind in moeder’s armen, misschien is het wel omdat de stilte er alleen maar onderbroken wordt door een paar dwaze, kakelende kippen over den hobbeligen, zon-begloeiden straatweg, misschien is het ook wel om de lucht die zoo blauw is en de eeuwige stem van de zee, die murmelt achter den vasten muur van het zand, en ach, eigenlijk weet ik niet waarom ik zoo gesteld ben op dit dorp en wat doet het er ook toe.

Boer
Als hij ’s morgens op zijn erf treedt, in den vroegen, dampigen ochtend, als de zon pas zijn reis is begonnen, maar al flonkert en weerkaatst in den kristallen dauw die over de planten is gestrooid als een diamanten regen, en hij ademt diep de frissche lucht in, dan weet hij dat de dag goed zal zijn. Hij zet de stal-deuren open en alom begint een wakkere bedrijvigheid om en in de boerderij te heerschen. Het leven begint …

Boerendochter
En als ge veine hebt, staat er juist een struische boerendochter de pannen te schuren, de stevig-bruine armen tot aan de ellebogen in het water. We hèbben veine: er staat een boerendochter. De donkere oogen karbonkelen in de rijpe gezondheid van het gelaat, dat vriendelijk omvat ligt in den teederen greep der smetteloos-witte muts. Een toefje donker haar krult uit de muts boven het voorhoofd in een stijve rol, waarvan ter weerszijden de gouden krullen. Maar de kralen heeft ze afgelegd, die hinderden te veel onder het werk, alleen een witte streep over den verbranden hals verraadt hun bijna voortdurende aanwezigheid. Ze zet de handen in de zij als zij het groen-geschilderde hekje hoort piepen en ziende dat het vreemdelingen zijn, veegt zij even met de rechterhand langs het voorhoofd, raakt vluchtig de muts aan of die wel recht zit en droogt haar handen aan het blauw-grijs geruite werkschort.

********************
KADER
Herinneringen aan Zeeland door Jan Campert
Bezorgd en toegelicht door Ans Dingemanse-Dieleman en Aad de Klerk
Uitgave Den Boer | De Ruiter
144 pagina’s
14,90 euro
Presentatie: zaterdag 30 april, 15.00 tot 16.30 uur in De Kloveniersdoelen Middelburg – overhandiging van het eerste exemplaar aan Aad Meinderts, directeur van het Letterkundig Museum en voorzitter van de Jan Campert-Stichting.

Bestel: Herinneringen aan Zeeland

 

 

 

 

 

Middelburg – overhandiging van het eerste exemplaar aan Aad Meinderts, directeur van het Letterkundig Museum en voorzitter van de Jan Campert-Stichting.

Dit bericht is geplaatst in Biografie, Geschiedenis, Historische roman, Journalistiek, Reisgids met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.