Ed Leeflang in graniet gebeiteld!

leeflang

Anton Korteweg is vasthoudend. De oud-directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag sprak afgelopen vrijdag tijdens de presentatie van Golfslag, de bundel met fragmenten uit de correspondentie van Wim Hofman en Ed Leeflang. Korteweg brak in zijn toespraak een lans voor de dichter Leeflang. Diens beroemde regels hier gaan over het tij / de maand, de wind en wij liggen nu in graniet gebeiteld op Neeltje Jans. Zonder dat de naam van de dichter wordt vermeld. Daar kan Rijkswaterstaat ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van de stormvloedkering op 4 oktober verandering in brengen. Aldus Korteweg.

Wie kan het niet eens zijn met het pleidooi van Korteweg? Ik vond het verhaaltje, waarmee hij zijn pleidooi illustreerde, vermakelijk. Dat Korteweg niet voor het eerst aan de bel trok werd me duidelijk, toen ik zijn verhaal teruglas in een aflevering van het Nieuw Letterkundig Magazijn, jaargang 29, 2011.

Daarin is de volgende passage opgenomen, het fragment dat hij ook vrijdag j.l. ten gehore bracht:

,,In de zomer van 1986 realiseerde de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Neelie Smit-Kroes zich – mooi negentiende-eeuws eigenlijk – dat het sluitstuk van onze nationale trots, de Deltawerken, het niet zonder een toepasselijk gedicht kon stellen. Maar het was kort dag: op 4 oktober zou de koningin de stormvloedkering waarachter Zeeland zich voor altijd veilig kon voelen, al openen. Half juli nodigde Smit-Kroes alle eenentwintig schrijvers, vooral dichters, van wie Ad Zuiderent een gedicht of verhaal had opgenomen in zijn bloemlezing 1 Februari 1953, uit voor een boottochtje vanuit Zierikzee naar die ten onrechte nog zo prozaïsche kering. Dat uitstapje vond uiteindelijk pas op 12 september plaats.
De minister had in haar uitnodiging niet vermeld dat we als tegenprestatie geacht werden onze dichtaders nogmaals te doen vloeien, en snel ook, zij het dit keer ter gelegenheid van een soort omgekeerde watersnood. Maar ’s avonds bij het diner in het Schouwse Ouwerkerk, de plaats waar de nood in 1953 het hoogst was geweest, bleek dat de minst naïeven onder ons met recht nattigheid hadden gevoeld. Wim Hazeu, Ed Leeflang, Maurits Mok, Bert Schierbeek, Hans Warren, Ad Zuiderent, om maar een paar van de smullende watersnoodpoëten te noemen, kregen van haar na de gepocheerde lotte te horen dat van hen voor het einde van de maand een kernachtig gedicht tot meerdere eer en glorie van de stormvloedkering werd verwacht.
Waarschijnlijk is dat verzoek een dag later ook uitgegaan naar de afwezige gebloemleesden, onder wie Arie van den Berg, die met ‘Mijn broertje kende nog geen kroos’ het bekendste watersnoodgedicht schreef, en Harry Mulisch, van wie ‘De terugkomst’ een klassieker werd. Hans Warren was al klaar voordat de minister was uitgesproken, maar zijn ‘Après nous le déluge’, hoewel lang niet slecht, heeft het toch niet gehaald. Ad Zuiderent, de aanstichter, liet me in de loop van de maand weten dat hij de volgende regels had ingestuurd: Ik slik het spel van de zee met Zeeland, / maar als zij dreigt, laat ik mijn tanden zien. Ook niet gek, met dat meerduidige slikken en die als tanden sluitende schuiven. Zelf probeerde ik rijk en beroemd te worden met het nobele en militante Ik stel de grens waarachter / je weerloos lijf, mijn land, / zich veilig weet. Je wachter.
Vergeefs, helaas. Ed Leeflang won overtuigend met de boven geciteerde regels.”

Nu maar hopen dat Rijkswaterstaat een steenhouwer in de arm neemt, die in kleiner korps de naam van de dichter in het graniet beitelt.

Dit bericht is geplaatst in Poëzie, Waterstaat met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.