De Wete, herfst 2015

1959_001In elk (heemkundig) tijdschrift staat er wel een artikel, dat er op de één of andere manier uitspringt. In het najaarsnummer van De Wete is het in 1932 door Frieda Rutgers van der Loeff-Mielziner (1877-1948) opgetekende portret van Westkapelle voor mij het hoogtepunt. In het begin van de 20ste eeuw schilderde en tekende ze in het Walcherse kustdorp. Over haar ervaringen en haar visie op de bewoners schreef ze in het Duitse tijdschrift Wochenpost (4e jaargang, nr. 30, 24 april 1932). Het artikel kreeg een mooie titel: ‘Westkapelle und seine Bewohner. Aus einem der interssantesten Dörfer Hollands’. Marja Minderhoud vertaalde het verhaal.

In eerste instantie dacht ik na het lezen: die Duitse mevrouw heeft één grote karikatuur van het dorp en zijn bewoners gemaakt. Ruwe bolster, blanke pit; als het stormt worden er pannenkoeken gebakken bij de mensen thuis want dan is er weer herstelwerk te doen aan de zeewering; vreemdelingen zijn er niet welkom; de Westkappelaars hebben geen zin om op het toeristisch-mondaine Domburg te gaan lijken en ook Zoutelande is voor hen geen voorbeeld; de ernst overheerst, zowel in de hoofden als op de gezichten.

In tweede instantie overheerst nog steeds het cliché. Maar goed, die mevrouw Frieda Rutgers van der Loeff-Mielziner kwam van buiten, was schilderes en zal een ontwikkeld observatievermogen hebben gehad… Dus, waarom zou haar karaktertekening niet kloppen? Tot op de dag van vandaag wordt Westkapelle een beetje apart gevonden. Dat zal voor de Tweede Wereldoorlog nog wel een graadje erger zijn geweest.

De dorpelingen noemden de kunstenares ‘het kleine wuufje’ en poseerden graag. Ze vertelt verder: ,,Elke avond kwamen wel dertig dorpskinderen hun dorpsliedjes voor mijn deur zingen en ze dansten erbij, waarvoor ze natuurlijk elke keer met bonbons en chocolade beloond werden. Wanneer mijn dienstbode ze dan eindelijk wegstuurde omdat ik rust nodig had om te werken, gingen ze gehoorzaam op hun tenen weg en zeiden: ‘Het kleine wuufje moet slapen, maar morgen komen wij terug’. Dat waren dezelfde kinderen die meestal tegen vreemden hun tong uitstaken of hen met stenen bekogelden.”

De Duitse kunstenaresse ziet veel bekrompenheid, de dorpelingen zijn ook wereldvreemd. Echter: ,,Tegelijkertijd echter vindt men in zo’n klein dorp maar zelden zo veel intelligentie en begaafdheid, zo veel goed belezen mensen, als juist hier. Ze begrijpen, terwijl ze geen bijzondere vorming hebben gehad, wat ze lezen; ze denken scherp na en hebben talent voor filosofische beschouwingen.”

Wat ze ter afsluiting schrijft, wil ik u niet onthouden: ,,Het is ook net alsof men in Westkapelle niet het geringste spoor van zijn innerlijk wil laten zien. Gesloten en trots is de Westkappelaar; hij toont onverbiddelijk en hard, zoals de storm die tegen zijn kust beukt. Maar wie de moeite neemt door deze ruwe buitenkant heen te dringen zal spoedig merken dat hij een waardevolle kern omhult. De Westkappelaar buigt niet voor mensen; maar in de kerk, voor zijn Here God, weet ook hij deemoedig het hoofd te buigen.”

Verder in dit nummer: Historisch geograaf Aad de Klerk beschouwt de hoogtekaart van Walcheren en vergelijkt het eiland niet een kom of een schotel, maar met een poffertjespan: een pan dus met diverse kommen of vakjes, van elkaar gescheiden door hogere randen. Historicus Jan Zwemer gaat in op de gezondheid en sterfte in Vrouwenpolder tijdens de aardappelcrisis van 1845-1848; zijn onderzoek is door de sterke lokale gerichtheid misschien opzienbarend, de conclusies zijn dat niet: ,,De effecten van de aardappelcrisis in Vrouwenpolder komen overeen met die in de rest van het land.” Hoe dat zit moet u maar lezen, het artikel beslaat ruim tien pagina’s. Verder schrijft Piet Minderhoud over de sterke afname van het aantal vrouwen in Walcherse en Arnemuidse dracht: 216 in 2003, 99 in 2010, en nu 46. De gemiddelde leeftijd van de vrouwen is 90 jaar. Henk Barentsen diept de geschiedenis van ambachtsheer Bartholomeüs van Biggekerke op: de man werd onthoofd in 1433. Jaco Simons zoekt en vindt Zeeuwse sporen op Sri Lanka (Ceylon).

De Wete, gedaan aan de leden van de Heemkundige Kring Walcheren, 44e jaargang, nummer 4, oktober 2015.

Dit bericht is geplaatst in Heemkunde, Tijdschriften met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.