Zeeland, maart 2015

zeelandNapoleon op de cover van het jongste nummer van Zeeland. Niet zo vreemd als we twee eeuwen terugdenken. Voor mij had het pleisterkopje van Adriana Beenhakker voorop mogen staan. De Franse kunstenaar Raymond Sudre (1870-1962) vervaardigde het beeldje in 1906. Het portretkopje kwam in 2013 in de collectie van het Zeeuwsch Genootschap terecht en is sindsdien te zien in de streekdrachtenzaal van het Zeeuws Museum. Het kopje van Adriana opent de nieuwe serie ’t Is vol van schatten hier in het tijdschrift Zeeland: een reeks artikelen waarin aandacht zal worden besteed aan bijzondere objecten in de verzamelingen van het Genootschap.

kopjeHiernaast ziet u Adriana. Wat een schoonheid. En wat een leuk verhaal zit er achter dit mooi verbeelde Zeeuwse meisje. Katie Heyning verzamelde de gegevens en presenteert ze in het tijdschrift. Adriana Beenhakker werd in 1881 in Kloetinge geboren. Ze was de enige dochter in een gezin met verder nog vier broers. Ze werkte in de familie als huishoudster en trouwde nooit. Ze overleed in 1962 in Koudekerke. Raymond Sudre was een succesvol beeldhouwer. In 1900 won hij de Prix de Rome. In 1903 kwam hij naar Nederland, in juli streek hij neer in Zeeland. Op de markt in Middelburg ontmoette hij de drie dochters in Bevelandse dracht van herbergier Korstanje in Wemeldinge. Volgens de beeldhouwer ‘filles splendides’. De volgende dag al nam Sudre zijn intrek in de herberg van Korstanje en vond hij de dochters bereid voor hem te poseren. De kunstenaar bleef de hele zomer in Wemeldinge.

Is dat geen prachtig verhaal? Een ongetwijfeld zwierige, nog jonge Fransman die valt voor een drietal Bevelandse schonen. In 1906 exposeerde Sudre het in Zeeland gemaakte werk op de Salon in Parijs, in 1910 in zijn geboorteplaats Perpignan.

Waar komt Adriana Beenhakker om de hoek kijken? Sudre ontmoette haar broer, de onderwijzer Simon Beenhakker, tijdens zijn Zeeuwse zomer van 1903. Het kopje van Adriana is gedateerd 1906. Kattie Heyning: ,,Heeft Adriana in 1906 haar Franse beeldhouwer in Parijs opgezocht? Is zij wellicht samen met broer Simon, die inmiddels Frans was gaan studeren, naar de tentoonstelling in de Salon geweest? En maakte Sudre bij die gelegenheid dit kleine pleisterkopje? Het zal wel voor eeuwig een raadsel blijven.” Wat wel bekend is: het kopje stond tot haar dood naast het bed van Adriana.

Dit is een veelbelovend begin van een nieuwe reeks artikelen. Het tijdschrift wordt er voortaan zelfs vier pagina’s voor opgehoogd. Veronica Frenks neemt in dit nummer meteen de tweede ‘schat’ voor haar rekening: een ‘hofdicht’ van Jean Guépin (1715-1766), dat zich in de collectie handschriften van het Genootschap bevindt. Een ontdekking, in Nederland zijn tot nu toe ongeveer tachtig hofdichten bekend. Dat van Guépin kan er nu aan worden toegevoegd.

Verder in dit nummer: Tobias van Gent (docent geschiedenis en politicologie University College Roosevelt) schrijft over de Britse landing op Walcheren in 1809, met speciale aandacht voor de reacties van Napoleon die overigens pas laat op de hoogte kon worden gesteld van de voor de Fransen vrij desastreuze ontwikkelingen op het eiland. Landschapsarchitect Jan Willem Bosch beschrijft het grote project Waterdunen aan de kust van West-Zeeuws-Vlaanderen. Hij schat in dat het nieuwe landschap een aanwinst voor de regio is. Historicus Jan Zwemer schrijft over de totstandkoming van de eerste voor heel Zeeland geldende cao in de landbouw in 1941. Hij noemt het ‘een omslagpunt in de sociale geschiedenis van Zuidwest-Nederland’.

Zeeland, Tijdschrift van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, jaargang 24, nummer 1, maart 2015.

Dit bericht is geplaatst in Tijdschriften met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.