Een burgemeester voor samen

ThorbeckeHet was even groot nieuws, in deze zomerse zomervakantie. Groen Links voelt ervoor om de gemeentelijke indeling van de provincie op de schop te nemen. Meer bestuurlijke slagkracht, meer capaciteit om alle taken die vanuit Den Haag worden gedelegeerd goed uit te voeren. Het zijn bekende argumenten. Eens te meer duiken de gevoeligheden op. Tengels af van onze bestuurders, ons burgemeestertje, ons gemeentehuis. Historisch geograaf Aad de Klerk schreef een artikel over het streven naar schaalvergroting in de tijd van Thorbecke. Ook toen al. Het argument dat Kleverskerke moeilijk zonder eigen burgemeester kan snijdt wat mij betreft nog steeds hout.

Een burgemeester voor samen.
Thorbecke’s – vergeefse – poging tot gemeentelijke schaalvergroting

door Aad de Klerk

Nú betreft het ideeën van Groen Links, maar eigenlijk staat gemeentelijke herindeling al heel lang op de Zeeuwse politieke agenda. Bijvoorbeeld in 1851 en kort daarna. Het was toen minister van binnenlandse zaken mr. Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872) zelf, die met zijn gemeentewet van dat jaar – uitvloeisel van de nieuwe grondwet van 1848 – in de hand, de gemoederen in bestuurlijk Zeeland danig deed verhitten. Hoog op zijn wensenlijstje stond namelijk het ‘versmelten’ van kleine gemeenten in of tot grotere.

Die wens kwam hard aan in een provincie met nogal wat kleintjes onder de in totaal 116 gemeenten die Zeeland anno 1851 telde. Klein was een gemeente volgens de wetgever als het aantal kiezers voor de gemeenteraad onder de 25 lag. En kiezers? Ja, dat waren toen uitsluitend mannen, van tenminste 23 jaar, die bovendien voor een bepaald bedrag in de rijksbelastingen waren aangeslagen. Zo ‘klein’ waren toen 18 Zeeuwse gemeenten. Zo klein was bijvoorbeeld het Zuid-Bevelandse ’s-Heer Abtskerke. Volgens de burgemeester kwam dat door ‘het zeldzame geval van het overgroote getal weduwen’ ter plaatse!

Thorbecke wilde korte metten maken met het bestuurlijke grut. Binnen twee jaar moesten alle gemeenten met minder dan 25 kiezers worden opgeheven. Hij vond dergelijke plattelandsgemeenten te klein om ‘genoeg verscheidenheid van bekwame personen voor de vertegenwoordiging en het bestuur aan te bieden’. En dus drong de minister er al direct in 1851 bij het provinciebestuur op aan om de samenvoeging van de kleintjes serieus ter hand te nemen. Maar ’s ministers plannen ontmoetten in Middelburg, in het provinciehuis, weinig enthousiasme. Na de betrokken gemeentebesturen gepolst te hebben, bepleitten Gedeputeerde Staten op grond van de ‘allerwege bestaanden tegenzin’ de zaak op zijn beloop te laten. Een beproefd recept, maar niét toen en al helemaal niet bij zo’n minister. Die deed prompt een volgende zet. Zijn nieuwe gemeentewet schreef benoeming van burgemeesters binnen twee jaar voor, wat volgens de memorie van toelichting wel op herbenoeming zou neerkomen. De commissaris des konings moest daarvoor aanbevelingen doen, en daarbij ‘zoveel mogelijk bedacht zijn op vereeniging van kleine gemeenten onder éénen burgemeester’. Juist in Zeeland vond het ministerie dat ‘bovenal raadzaam en noodig’. Een kleine gemeente had te weinig financiële armslag. Zo bedroeg de gemiddelde jaarwedde van een Zeeuwse burgemeester 80 gulden, niet bepaald bevorderlijk om kwaliteit in het gemeentehuis te halen.

De van de commissaris verlangde aanbevelingslijst kwam er, maar vond geen genade in Thorbecke’s ogen. Op de lijst prijkten namelijk vrijwel alleen bekende namen, namen van zittende burgemeesters. Maar een herbenoeming van hen allemaal, zó voetstoots, dat ging het ministerie toch echt te ver. Commissaris des konings J.G.H. van Tets van Goudriaan – tot zijn benoeming in 1852 ambtenaar op Thorbecke’s eigen ministerie – moest zijn huiswerk overdoen. Er werd van hem een nieuwe lijst met aanbevelingen verlangd, waarbij hij nu nadrukkelijker in overweging moest nemen ‘of sommige gemeenten niet onder éénen burgemeester zouden kunnen worden vereenigd’. Het effect van deze Haagse interventie was verbluffend. In 1853 waren 56 (dat was dus bijna de helft) van de Zeeuwse gemeenten bij de eerste ronde van burgemeestersbenoemingen betrokken. Het ging in de meeste gevallen inderdaad om een herbenoeming, maar het betrof nu slechts 26 burgervaders in plaats van 56 voorgangers! Het verschil werd veroorzaakt door gecombineerde benoemingen. De meeste van de nieuw voorgestelde combinaties bestonden uit twee gemeenten onder één burgemeester, een enkele keer waren het er drie. De minister had zijn zin gekregen.

Op Schouwen-Duiveland werden voortaan Bommenede en Zonnemaire door één burgemeester bestuurd; zo ook Brouwershaven en Duivendijke, Burgh en Haamstede, en Elkerzee en Ellemeet. Een combinatie van drie werd gevormd door Noordwelle, Renesse en Serooskerke. De zittende burgemeester Cornelis Gast Cz. van Noordwelle kon ‘met gerustheid’ voortaan tevens Renesse besturen. Van burgemeester L. Krepel van Serooskerke (woonachtig te Ellemeet) kon de commissaris dat bepaald niét zeggen. Hij zag dan ook geen redenen om deze kleine en met 315 inwoners zeer karig bevolkte gemeente een aparte burgemeester te gunnen. Burgemeester Gast liet voor alle duidelijkheid wel even weten dat hij de gecombineerde betrekking zelf niet had geambieerd.

Ten aanzien van de drie Noord-Bevelandse gemeenten Colijnsplaat, Kats en Kortgene oordeelde de commissaris dat ze ‘zeer gevoegelijk onder éénen burgemeester’ konden worden gecombineerd. Wissenkerke daarentegen ‘schijnt althans voor het tegenwoordige, eenen afzonderlijken burgemeester te moeten behouden’. Ook op Zuid-Beveland ontstonden zo een aantal nieuwe combinaties: Driewegen en Ellewoutsdijk, Fort Bath en Rilland, ’s-Gravenpolder en ’s-Heer Abtskerke, ’s-Heer Arendskerke en ’s-Heer Hendrikskinderen, Kruiningen en Schore, en Nisse en Ovezande.

Op Walcheren deelden Arnemuiden en Kleverskerke voortaan hun burgemeester; hetzelfde gold voor Biggekerke en Zoutelande, voor Grijpskerke en Meliskerke, en voor Serooskerke en Sint Laurens. Een combinatie van drie werd hier gevormd door Gapinge, Veere en Vrouwenpolder.

In Zeeuws-Vlaanderen gingen Cadzand en Retranchement samen, Groede en Nieuwvliet, Hengstdijk en Ossenisse, Hoek en Neuzen, Overslag en Zuiddorpe, en Philippine en Sas van Gent. De gemeenten Heille, Sint Anna ter Muiden en Sluis deelden voortaan met hun drieën één burgemeester. Hetzelfde gold voor nog een ander drietal: Hoofdplaat, Waterlandkerkje en IJzendijke. Commissaris Van Tets vond Cadzand en Retranchement ‘door hare natuurlijke ligging’ een aangewezen combinatie. Eén burgemeester kon die twee best aan, maar dat moest dan niét de burgemeester van Retranchement zijn. Deze, I. Risseeuw, was in ’s commissaris ogen ternauwernood geschikt om één gemeente te besturen! Burgemeester A.J. Onghena van Overslag, maar woonachtig te Zuiddorpe, liet zich overhalen voortaan ook Zuiddorpe te besturen als een voorschot op latere ‘ineensmelting’ van beide gemeenten. Later kreeg hij hier overigens spijt van. Hij had toen inmiddels geconstateerd dat zo’n combinatie in Zuiddorpe ‘met gretigheid aanvaard’ werd, maar in Overslag ‘met bitzigheid afgestemd’.

Vanuit het Middelburgse provinciehuis ging een standaard briefje naar de (eervol) ontslagen burgemeesters, met de boodschap dat niet ontevredenheid over hun functioneren de basis voor ontslag vormde, maar de wens van de regering tot combinatie. Dat leidde – uiteraard – tot de nodige protesten. Zo vond de ontslagen burgemeester C. Moolenburgh van Zonnemaire het maar niks dat hij, burgemeester ‘van een hoofd gemeente’, moest wijken voor I. Moens van Bommenede; nota bene Bommenede, niet meer dan ‘een gestichte buurte’! Overigens trok Moens zich na een week terug, en kon Moolenburgh alsnog in beide gemeenten aan het werk als burgemeester. Protestbrieven vanuit het Walcherse Kleverskerke voorzagen dat het bloeiende dorp na samenvoeging binnen de kortste keren ‘even arm en ellendig’ als Arnemuiden zou worden.

Van de in totaal 18 te kleine Zeeuwse gemeenten waren er 17 bij dit proces betrokken. Aagtekerke was opmerkelijk genoeg de enige gemeente in deze serie die met een eigen burgemeester werd bedeeld. Ondanks de geringe oppervlakte en bevolkingsomvang zag de commissaris des konings Aagtekerke als een gemeente die bezwaarlijk met een andere viel te combineren. De inwoners zelf steunden die visie natuurlijk van harte, door te wijzen op ‘de eigenaardige zelfstandige toestand’ hunner gemeente.

Het meest gebruikte argument vóór een gecombineerd burgemeesterschap was de beperkt voorhanden kwaliteit. Bij de kamerbehandeling van de gemeentewet was dit probleem reeds voorzien. Ook het Zeeuwse provinciebestuur had al eerder onderkend dat ‘in vele oorden dezer provincie schier geene ingezetenen gevonden worden, welke eenige geschiktheid of aanleg hebben voor de plaatselijke administratie’, en dat zeker de dorpen ‘slechts zeldzaam lieden van meer beschaafde opvoeding kennen’. Zo vond burgemeester Pierssens van Hulst, in 1855 om advies gevraagd, dat ‘de Graauw en Langendam, een dier gemeenten is, waar zeer moeijelijk geschikte personen te vinden zijn om het […] burgemeesters ambt, te kunnen vervullen’. Voor onder meer Heille, Sint Anna ter Muiden en Waterlandkerkje gold hetzelfde. Om aan dit probleem tegemoet te komen, mochten burgemeesters elders wonen. En omdat geld al even dun gezaaid was als kwaliteit, kon de geringe jaarwedde voor de burgemeester een reden zijn om uit te kijken naar een combinatie van functies.

Op het ministerie leefde de wens tot combinatie – die vooral een wens van Thorbecke was – maar kort. Thorbecke’s opvolgers maanden het Zeeuwse provinciebestuur al snel tot uiterste terughoudendheid. Eén van die opvolgers was trouwens, vanaf 1858, dezelfde Tets van Goudriaan. Combinatie onder één burgemeester mocht niet doorgedreven worden tegen de wil van de lokale besturen en de inwoners in, tenzij ‘latere ineensmelting onvermijdelijk zal zijn’. Het gevolg was dat werkelijke opheffing en samenvoeging van gemeenten ook na 1851 uitzonderingen bleven. Het ministerie hanteerde voortaan als absolute grens een getal van 15 kiezers voor de gemeenteraad – een raad die in de kleinste gemeenten zeven leden telde. Bij minder dan 15 kiezers, zo was de redenering, dreigde het gevaar van een gemeenteraad die telkens zichzelf koos en waarin nooit het vertrouwen opgezegd kon worden.

Per saldo had de mogelijkheid die Thorbecke’s gemeentewet bood tot gevolg dat slechts zeven Zeeuwse gemeenten in de eerste jaren na invoering van de wet het veld ruimden: Gapinge (in 1857 bij Vrouwenpolder gevoegd), Kleverskerke (in 1857 bij Arnemuiden), ’s-Heer Hendrikskinderen (in 1857 bij ’s-Heer Arendskerke), Bommenede (in 1866 bij Zonnemaire), en Heille en Sint Anna ter Muiden (in 1880 bij Sluis), terwijl Rilland en Bath in 1877 samengevoegd werden tot de nieuwe gemeente Rilland-Bath. Alle gemeenten die eerder onder één burgemeester waren gecombineerd, behielden hun zelfstandigheid. Zelfs gold dat voor het Schouwse Serooskerke. Met 189 inwoners ging deze kleinste gemeente van Nederland pas in 1961 op in een groter geheel.

Gemeenten opheffen of samenvoegen doe je kennelijk niet van de ene op de andere dag. Het zou daarom ook na 1851 nog heel, heel lang onrustig blijven in bestuurlijk Zeeland.

(dr. A.P. de Klerk is historisch geograaf in Middelburg)

Dit bericht is geplaatst in Geschiedenis, Heemkunde met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.