Nehalennia (zomer 2013)

neha-page-0De duikspeurtocht naar het vlaggenschip De Walcheren pal voor de haven van Vlissingen ijlt na in de heemkundige tijdschriften. In Den Spiegel blikt Arthur Scheijde van de Stichting Behoud Onderwaterschatten Zeeland uitgebreid terug op de zoekactie in december 2012 (zie het blog-item van 19 juli 2013). In het nieuwste nummer van Nehalennia doet Arent Vos van de Rijksdiensdienst voor het Cultureel Erfgoed verslag. Ook hij heeft het over de bijzondere sidescansonar en de vondst van een gemetseld muurtje. Vos hoopt nog dat de speurtocht dit jaar wordt voortgezet. Hij is kennelijk niet op de hoogte van de recente slibstorting, die nieuwe duiken voorlopig zinloos maakt.

De Walcheren zonk op 29 november 1689. Het schip voer met twee andere Zeeuwse admiraliteitsschepen terug van Engeland, nadat stadhouder Willem III daar tot koning was gekroond. Ter hoogte van Vlissingen raakten de schepen door de harde zuidzuidwestenwind aan lager wal. De Walcheren stootte op het Westerhoofd en zonk ‘ten aensien en schrik van duysende menschen’. Er werd nog veel van het schip geborgen, er werden ook kanons opgedoken.

Nieuw voor mij is dat in 1696 werd besloten het schip op te blazen, omdat het de scheepvaart hinderde.  Wat blijft er dan over, zou je zo denken, dat we in 2012 nog naar resten gaan duiken. Vos kan dat kort en duidelijk uitleggen: ,,Het wrak dat met slagzij – vermoedelijk over bakboord – was gezonken, is door de slijpende werking van de ter plekke krachtige eb- en vloedstromingen dieper en dieper in de zeebodem komen te liggen. Het sedimentrijke Westerscheldewater veroorzaakte tegelijkertijd in hoog tempo sedimentatie binnenin de scheepsromp. Toen er zes jaar na de ondergang sprake was van het schip op te blazen, lag het bakboord waarschijnlijk al wel drie, vier meter diep in de zeebodem en was de binnenkant al behoorlijk opgevuld met sediment.”

In het artikel wordt ook een link gelegd tussen het gevonden muurtje en de kombuis van De Walcheren. Verder wijst Vos op de problematiek van het zoekgebied: in november 1944 zijn er geallieerde amfibische landingen geweest, waar veel materieel verloren ging.

Het belang van De Walcheren zit volgens Vos in het feit, dat het schip gebouwd is door de Zeeuwse meesterscheepstimmerman Mattheus Sluijk op de Admiraliteitswerf in Vlissingen. Omdat er over de Zeeuwse scheepsbouw minder bekend is dan over de Hollandse, kan De Walcheren nieuwe inzichten bieden.

Journalist Gert van Engelen meldt in het tijdschrift de vondst van een gedicht van Bernlef, dat aan zijn schoonvader Ed. Hoornik gewijd zou zijn. Hoornik publiceerde in 1939 de gedichtencyclus Requiem, die volledig geïnspireerd was door een noodlottig ongeval in Middelharnis. Daar verdonk op 17 juli 1938 de 5-jarige Adri Krijgsman. De van Goeree-Flakkee afkomstige Johan Everaers publiceerde in Nehalennia al enkele malen over de gedichtencyclus en het monument aan de haven van Middelharnis. Overigens: het uit twee tekstborden bestaande monument werd onlangs vernield en is – naar ik lees –  afgelopen april opnieuw aangebracht. Van Engelen wil het gedicht van Bernlef kennelijk graag koppelen aan de Requiem-cyclus van Hoornik. Maar als ik zijn verhaal goed lees gaat dat net een stap te ver. Bernlef wilde met zijn gedicht een portret van Hoornik bieden, en niet zozeer over het gedicht over het verdronken jongetje schrijven.

Ronald Rijkse, Oud-conservator van de Zeeuwse Bibliotheek, is toe aan het derde deel over het culturele centrum van de gebroeders Van de Venne in 17e-eeuws Middelburg. Deze aflevering spitst hij toe op de Zeeusche Nachtegael, de in 1623 uitgegeven bundel met de toenmalige top van Zeeuws dichttalent. Rijkse noemt het boek ‘het hoogtepunt’ in de uitgeverscarrière van Jan Pietersz. van de Venne. Adriaen debuteerde in de bundel met Tafereel van Sinne-mal. Jacob Cats nam het initiatief voor de bundel, met het doel te laten zien dat er niet alleen in Holland goede dichters rondliepen. Rijkse spreekt van ,,een uiting van Zeeuwse, regionale trots en een antwoord op de dominantie van de talloze uitgaven van Hollandse dichters” en ,,een uiting van Zeeuwse rederijkerskunst in optima forma”.

Twintig Zeeuwse dichters leverden bijdragen. Rijkse gaat ze allemaal de revue laten passeren. De eerste vier komen in deze aflevering aan bod. Volgende keer meer.

Ik citeer uit de inleiding van Jan van de Venne. Hij gaat eerst in op de kennelijk bestaande kritiek op het niveau van de Zeeuwse dichters, die als ‘Kick-vors’ of ‘Puyt’ zouden klinken. Van de Venne: ,,daer ymmers evenwel de ervarentheyt, nu vele jaeren alreede heeft gheleert, datter jae ghewisselyck in Zeelandt Nachtegaelen te vinden zijn, die geen hees ghewrock uyt stinckende poelen schreeuwen, maer, een uytnemende aenghenaem Gesang in, en boven verheven-soet-rieckende boomen zijn schetterende, met groote onderscheyden bevallicheyden van stem.”

Verder in het zomernummer van Nehalennia: J.H. Midavine over de Veerse stadswaag, Jan J.B. Kuipers en Winant Halfwerk over boek en project Staats-Spaanse linies, en veel dialect. Met een alternatief Zeeuws-Vlaams volkslied van Jan Lauret uit Hoek:

Waar eens ’t gekrijs der meeuwen
Waar schor was, slik en land
Daar razen naftakrakers
En staat de lucht in brand
En waar je vroeger fietste
En vree in ’t lange gras
Daar mag je niet meer komen
Daar stinkt het nu naar gas

Nehalennia, Bulletin van de Werkgroep CultuurHistorie van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (WCH) en de Zêêuwse Dialect Verênigieng – aflevering 180, juni 2013, losse nummer 7,50 euro.

Dit bericht is geplaatst in Heemkunde, Tijdschriften met de tags , , , . Bookmark de permalink.

0 reacties op Nehalennia (zomer 2013)

  1. Jan Kuipers schreef:

    – en het bord in Middelharnis is opnieuw vernield, heb ik vernomen… En opnieuw zal het worden teruggeplaatst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.