Tranen op het land

Nog een restje watersnood. Na de Ramp van 1953 weken nogal wat Zeeuwse agrariërs uit naar de Noordoostpolder. Daar konden boeren die in Zeeland have en goed waren kwijtgeraakt een nieuw bestaan opbouwen. Het Waterschap Zuiderzeeland in Lelystad greep dit jaar de herdenking van de watersnood aan om de rampherinneringen van de boeren in de NOP op te tekenen. Velen doen voor het eerst een boekje open. Wat dat betreft lijkt de verwerking van alle rampspoed in ‘het nieuwe land’ tien jaar later op gang te komen dan in Zeeland, waar in 2003 de verhalen voor het eerst op grote schaal loskwamen.

Het boek kreeg de titel Tranen op het land, Zeeuwen en Brabanders in de Noordoostpolder na de Watersnoodramp. Erik Driessen is de auteur. Hij plaatst de Zeeuwse overlevers met hun herinneringen in een nieuwe polder: ,,Langs die soms bijna saaie polderwegen, achter de windsingels, binnen de muren van de boerderijen, in de hoofden van de bewoners zijn de verhalen van een donkere geschiedenis opgeborgen. Een historie doordrenkt met tranen. Spreken over de tragedies die hun leven tekenden, deden de agrariërs hoogstzelden. Verdriet droegen ze in stil zwijgen mee. Als er al eens tranen vloeiden, vielen ze neer op het land. Ver weg van de mensen. Praten over het leed uit het verleden doe je niet, laat staan huilen in het openbaar.”

In totaal komen er 25 ooggetuigen aan bod – commissaris van de koningin Karla Peijs niet meegerekend. Overwegend Zeeuwen, en enkele West-Brabanders en Zuid-Hollanders, allemaal vertellen ze over hun Ramp. Het zijn meest dramatische verhalen, velen zagen familieleden in het water wegglijden. Adrie Heijboer was 16 jaar en woonde op een boerderij bij Poortvliet. Hij vertelt het verhaal van zijn latere echtgenote Johanna Hendrikse in Ouwerkerk. Pagina 23: ,,Op een gegeven moment stortte het huis compleet in elkaar, waardoor ze met zijn achten gingen drijven. Dat gebeurde bij vloed. Bij eb dreven ze natuurlijk richting zee. Vlak voor het gat in de dijk bij Ouwerkerk brak het vlot in tweeën. Vijf mensen vielen in het water en verdronken. Mijn schoonvader en zijn twee zonen en dreven de open zee op. ‘Een verloren zaak’, dachten ze. Het wonderbaarlijke was echter dat het water op zee veel rustiger was, waardoor ze relatief rustig over het water richting Zuid-Beveland dreven. Daar zijn ze ’s nachts om vier uur aangespoeld, na een lange tocht die een groot deel van de avond en de nacht duurde. De dijkwacht heeft ze van het vlot gehaald.” Eind goed al goed, zou je denken. Maar helaas: de oudste zoon Jaap (21 jaar) overleed aan het eind van het avontuur: ,,Toen ze hem aan wal brachten was zijn lichaam nog warm. Jaap was volkomen uitgeput van de lange tocht op het vlot. Ze moesten alles geven om niet van dat vlot te glijden. Mijn zwager heeft wel eens verteld dat ze zich met nagels vastzetten in het hout.”

Nog een voorbeeld. Adrie van Dongen was in 1952 met zijn ouders naar de NOP verhuisd. Precies tijdens de rampnacht was hij op bezoek bij een kameraad in Nieuwerkerk. Hij vertelt (pagina 25): ,,Er dreef een baal stro voorbij die tegen de stroming in kantelde. Toen zag ik dat een klein meisje van een jaar of zeven zich met haar klauwtjes vasthield aan het stro. Terwijl ze me aankeek gleed ze langzaam weg en nam het water haar mee. Bevangen door de kou vermoedelijk.” Terug thuis in de Noordoostpolder stuitte hij op onbegrip: ,,Mijn moeder zei: ‘weet je wel dat wij ook bijna waren verdronken, als de Afsluitdijk het had begeven…’ Ze konden zich geen voorstelling maken van wat ik heb meegemaakt. Daardoor kon ik er met niemand over praten en heb ik veel opgekropt.”

En zo gaat het maar door. Piet Brouwer uit Oosterland, Han Dorst en Kees Bolle uit Sirjansland, Kees Potappel uit Stavenisse, Hendrika Geluk-Visscher – weduwe van Leen Geluk in het compleet weggespoelde dorp Capelle, Leen Hanse uit Kerkwerve, Piet Kwant uit Haamstede, Kees Jonker uit Bruinisse, Jan van der Slikke van Tholen, Rien van der Weele van Oosterland, Johannes en Keetje Zorge uit Noordwelle, oestervisser Wim Koeman in Yerseke, Piet de Fouw bij Kortgene. Ze vertellen hun dramatische herinneringen. Na de Ramp was hun boerderij meestal weggeslagen, en was de grond door het zout opnieuw slecht – ook tijdens de oorlog stond er zout water op Schouwen-Duiveland en Tholen. De mogelijkheid om naar de NOP uit te wijken werd met beide handen aangegrepen.

Storm en hoog water kunnen de meeste geïnterviewden nog slapeloze nachten bezorgen. Je voelt hier en daar opluchting dat ze hun verhaal eens hebben kunnen vertellen. De Ramp zit diep, zoveel is zeker. Leen Hanse zegt op pagina 64: ,,Als de dijken doorbreken staat het water uiteindelijk waterpas.”

Erik Driessen: Tranen op het land, Zeeuwen en Brabanders in de Noordoostpolder na de Watersnoodramp – uitgave van Waterschap Zuiderzeeland, 110 pagina’s in ringband; de oplage is beperkt tot 500 exemplaren; het boek kan gratis worden verkregen via de site van Waterschap Zuiderzeeland of via een mail naar communicatie@zuiderzeeland.nl

Dit bericht is geplaatst in Ramp 1953 met de tags . Bookmark de permalink.

2 reacties op Tranen op het land

  1. Koppejan schreef:

    Hallo,
    Wij zijn op zoek naar een boek over de Walcherse boeren die in 1950, dus bij de eerste uitgave, naar de noord oost polder kwamen . d.i.m. Het maken van een boerderijenboek. Kunt u ons vertellen welke boeken hier over zijn? Dan kunnen wij in de bieb gaan kijken of ze die hier ook hebben.

    • Jan van Damme schreef:

      Beste heer/mevrouw Koppejan,
      het boek van Erik Driessen hebt u al gevonden.
      Ik zou verder in algemene Zeeuwse boeken kijken – zoals de Geschiedenis van Zeeland (4 delen) of het boek van Jan Zwemer over de naoorlogse geschiedenis van Zeeland – waarin vast verwijzingen staan. In Zeeland bestaat ook een boerderijenstichting, die u wellicht verder kan helpen. Vriendelijke groet, Jan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *