Een straat in een dorp onder water

In Zeeland zijn we geneigd de Ramp van 1953 vooral Zeeuws te bezien. Niet zo gek, met honderden dodelijke slachtoffers op Schouwen-Duiveland, Tholen en Zuid-Beveland. West-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden willen we daarbij wel eens vergeten. Zo werd ook Goeree tijdens de stormnacht van 31 januari op 1 februari 1953 zwaar getroffen. In Oude-Tonge vielen ruim driehonderd slachtoffers, waarvan bijna honderd in de Julianastraat. Oud-politieman Arie Kuijvenhoven stelde vragen: Hoe kwam dat? Waren de bewoners te onvoorzichtig of te naïef? Of het gemeentebestuur? Het waterschap? De provincie als toezichthouder? Zijn antwoorden vormen samen een boeiende biografie van Een straat in een dorp onder water. (Omslagontwerp: Merel Snel)

Via de uitgever krijgen we een korte biografie van auteur Arie Kuijvenhoven (1947): ,,Als politieman heb ik altijd veel aandacht gehad voor de maatschappelijke kanten van de politie. Daarover schreef ik in de vakliteratuur. Als bestuurssocioloog heb ik later andere onderwerpen onderzocht, zoals de Watersnoodramp van 1953. Dat leidde tot (internet)publicaties over bijvoorbeeld ‘vergeten slachtoffers’, tot een boek over rampen (Vrouwen en kinderen eerst? – 2005) en nu dan een biografie over de Julianastraat in Oude Tonge, waar in 1953 de meeste slachtoffers vielen.”

Het boek verscheen op 1 februari 2013. Ik besteed er nu aandacht aan, een beetje in de nasleep van de herdenking.

Van Kuijvenhoven wilde ‘grondig en nauwkeurig onderzoek’ doen in de drie zuidwestelijke provincies. Dat idee stuitte op problemen. Inhoudelijk, omdat er nogal wat lokale verschillen zijn. Bijvoorbeeld: Zuid-Holland had een eigen waterstaatsdienst, in Zeeland en Noord-Brabant was Rijkswaterstaat een belangrijke speler. Praktische problemen waren er ook. Voor onderzoek in regionale en provinciale archieven moet veel worden gereisd – dat is tijdrovend en duur.

(illustratie: Schets van het stratenplan van Oude Tonge in 1953)

Zo zag de schrijver zich genoodzaakt zijn onderzoek te beperken: tot een provincie, tot enkele dorpen, tot een dorp en uiteindelijk tot een straat: de Julianastraat in Oude Tonge. Verdedigbaar, zegt de auteur. Want (pag. 10/11): ,,Qua ernst van de ramp is Oude Tonge werkelijk zwaar getroffen. Er kwamen zo’n driehonderd mensen om het leven, bijna 10 procent van alle inwoners van het dorp. In vergelijking met heel veel na-oorlogse rampen is dat een kolossaal hoog percentage. (…) Wel weten we dat van die ruim driehonderd slachtoffers in Oude-Tonge er bijna honderd in de Julianastraat – hoek Stationsweg woonden. Dat was de reden om het onderzoek te beperken tot Oude Tonge en dan vooral tot de Julianastraat met de hoek van de Stationsweg.”

Wat een zegen, die beperking. Het resultaat is een werkelijk fascinerend verhaal over een kleine gemeenschap. In zijn beperking durft Van Kuijvenhoven nog best breed uit te waaieren. De vaak gehoorde (voor?)oordelen – de slechte kwaliteit van de huizen en de incompetentie van de bestuurders – verklaart hij ook van toepassing op Oude Tonge. Hij gaat na of er in die voor waar aangenomen veronderstellingen een grond van waarheid zit. ,,Het kan allemaal waar zijn. En als we niet zo grondig mogelijk proberen na te gaan wat er werkelijk is gebeurd, zal dat zo blijven en komen we niet verder.”

Zo verhaalt de schrijver over het eiland Goeree-Overflakkee, de eilandmentaliteit, het isolement. De jaren meteen na de Tweede Wereldoorlog leefden de eilandbewoners – in elk geval in onze ogen – armoedig. Uit een provinciaal onderzoek blijkt dat circa 12 procent van de 8300 woningen onbewoonbaar zou moeten worden verklaard. Plannen voor een gemeentelijke herindeling en de miliatire acties in Indonesië hielden de gemoederen bezig. Ontzilting van het tijdens de oorlog met zout water geïnundeerde eiland en herplanting waren ook brandende kwesties. Oude Tonge was een ‘rood’ dorp, waar de PvdA in 1949 met 29 zetels de grootste partij was. De SGP kwam uit op 24, de KVP op 23. De ARP kwam met 9 zetels nieuw in de raad, de VVD met 12. Er was sprake van een rooms-rood college. Waarmee maar gezegd is dat de vooronderstelling dat heel Goeree tot de ‘bible belt’ gerekend moet worden, niet klopt.

Van Kuijvenhoven kiest voor een benadering, die je als lezer een mooi beeld geeft van het bedreigde eiland. Hij houdt ook burgemeester Bram van Dijk tegen het licht (pag. 53): ,,Burgemeester Van Dijk komt uit de annalen dus niet naar voren als een bestuurder die de touwtjes stevig in handen had. Hij was breedvoerig, handelde zaken traag af, maakte geen energieke indruk en leek conflicten liever te mijden. (…) Burgemeester Van Dijk was begin 1953 allesbehalve een sterke gezagsdrager.”

(foto: Varend door de Julianastraat, gezien vanaf de Stationsweg).

Ik merk dat ik in mijn enthousiasme over het boek te zeer uitweid. U moet het zelf lezen, echt. Er wordt beetje bij beetje een hele film afgedraaid, die soms uit- en soms inzoomt. In het volgende fragment voegt de schrijver er persoonlijke ervaringen aan toe (pag. 91): ,,De eerste keer dat ik de Julianastraat bezocht, had ik de slachtofferlijst van het Rode Kruis bij me. Daarin staan de slachtoffers alfabetisch en op woonadres gerangschikt. Met de lijst in de hand liep ik door de straat om al snel te constateren dat er iets niet klopte. De huisnummers waren er, maar de woningen waren onmiskenbaar van na 1953. Bovendien lagen ze veel dichter bij de Molendijk dan ik had gelezen. Waarom was dat zo? Had men uit behoefte aan een geheel nieuw begin, alles veranderd? Behulpzame bewoners maakten me snel duidelijk dat de huisnummering in de loop van de tijd was gewijzigd. Bij het doortrekken van de straat naar de Molendijk waren de even en de oneven nummers zowel als de richting verwisseld. Ik stond dus aan het verkeerde eind van de Julianastraat naar de verkeerde kant te kijken. Vanaf dat moment kreeg de Julianastraat voor mij zijn oude lengte en richting terug. Hij begint weer bij de Stationsweg en eindigt bij de Willemstraat. Een afstand van ongeveer 225 meter. (…) In feite was de Julianastraat in het begin van de jaren-1950 een afgelegen woonstraat aan de noordwestelijke rand van het dorp.”

Hoofdstuk 10 ‘Een doordeweekse dag’ (pag. 125-138) is een geslaagde schets van het leven in de Julianastraat. Inderdaad, alsof we er begin jaren vijftig echt doorheen lopen. Pag. 129: ,,Maar je kunt je ongenoegen ook op een andere plaats kwijt. Op zomeravonden staan er bijvoorbeeld voor het huis van Quist bijna altijd wel een paar man met elkaar te praten. Uit hun mond komen dan niet alleen allerlei wijsheden, maar ook rookwolken die je langzaam in de avondlucht ziet vervagen, net als die wijsheden.”

De nacht van de Ramp wordt in drie hoofdstukken opgesplitst.

In hoofdstuk 11 volgen we de ‘gezagsdragers’: hoe reageerden zij op de waarschuwingen en het in het dorp dringende water? Het gerucht dat er bij de burgemeester een ruit ingegooid moest worden om hem rond 3.00 uur ’s nachts te wekken, is zeer onwaarschijnlijk. De burgemeester namelijk, had een waakzame herdershond, die ongetwijfeld blafte als er werd gebeld of geklopt. Ik vind dat bijzonder aardige details in zo’n rampverhaal. Een ooit gemaakte opmerking als ‘ja, die burgemeester werd pas wakker toen ze een ruit ingooiden’, kan makkelijk uitgroeien tot een voor waar aangenomen verhaal. Kuijvenhoven komt dan met de hond op de proppen.

In het boek wordt een duidelijke tijdlijn geboden – bijvoorbeeld: 3.30 uur – in de Zuiderlandse Zeedijk worden diverse diepe bressen geslagen; 4.00 uur – de alarmklok wordt geluid, de bekisting op de Zuiddijk wordt gesteld. Op het gemeentehuis waren in elk geval de burgemeester, een wethouder en de dijkraad aanwezig. De schrijver veronderstelt dat ‘het gezag’ geen rekening hield met groot gevaar, men was niet op de hoogte van de toestand elders op het eiland.

In hoofdstuk 12 volgen we – ook weer met een tijdlijn – de gebeurtenissen aan de zuid- en westkant van het dorp. Hoofdstuk 13 is gereserveerd voor de Julianastraat en de hoek Stationsweg. Ik lees over Corrie en Dies van den Ouden en andere bewoners. Pag. 172: ,,Achter de tramhuizen langs dreef het gezin van Siem Beijer, van Julianastraat 1, op hun zolder richting Emmastraat. Ze botsten daar tegen de hoek van een huis waardoor hun vlot in tweeën brak. Het deel met Siem en zijn twee oudste zoontjes dreef via de Emmastraat de Stationsweg op, in de richting van de poterloods. Het deel waarop zijn vrouw met haar drie jongste kinderen zat, verdween onder water.” Overlevenden herinneren zich het lawaai van de Ramp niet goed. Opvallend, vindt ook Kuijvenhoven. De storm, het water, het hulpgeroep, het gekraak van instortende huizen, het gekrijs van biggen, geloei van koeien…

De opgemaakte balans in hoofdstuk 14 is veelzeggend: aanwezige personen in de Julianastraat circa 220, aantal omgekomenen 98. In retrospectief – om op de vooronderstellingen terug te komen – kan worden gezegd dat de woningen voldeden aan de eisen van de tijd.

De schrijver gaat naar mijn idee als een goed onderzoeker te werk. Hij laat de feiten spreken. Alleen een feitenrelaas en een zo goed mogelijke reconstructie leveren een indrukwekkend verhaal op. En – ik kan het ook niet helpen – een waarschuwing die we niet zomaar naast ons neer zouden mogen leggen. Na de Ramp ging alle aandacht naar het herstel van de dijken. Pag. 251: Er is weinig onderzoek gedaan naar ,,oorzakelijke factoren voor, tijdens en na de Watersnoodramp van 1953. Het ontbreken daarvan zegt natuurlijk ook iets over ons. Wij denken het allemaal al te weten en wij denken dat we onze zaakjes voor elkaar hebben. De volgende ramp zal ons daarom verschrikkelijk verrassen.”

Het is maar dat u het weet.

Arie Kuijvenhoven: Een straat in een dorp onder water – Uitgeverij Boekscout, paperback, 278 pagina’s, 18,95 euro.

Dit bericht is geplaatst in Ramp 1953 met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *