Jan Zwemer reageert op ‘Broze Burchten’

Reactie op het Naschrift in ‘Broze Burchten. Middelburg en de Holocaust’ door D.L Roth – Jan Zwemer maart 2018

In zijn naschrift achterin zijn boek ‘Broze Burchten. Middelburg en de Holocaust’ schrijft
D.L. Roth dat hij een reactie op mijn biografie van J. van Walré de Bordes opneemt vanwege ‘de discrepantie tussen enerzijds diens activiteiten verband houdende met de Jodenvervolging, zoals beschreven in het voor u liggende boek [Broze Burchten, JZ], anderzijds het beeld dat daarvan in de genoemde biografie wordt gegeven.’

Daarover valt in de eerste plaats op te merken dat het onderwerp van mijn boek het
levensverhaal van J. van Walré de Bordes moest zijn, waarin zijn burgemeesterschap tijdens de oorlogsjaren uiteraard een prominente plaats inneemt: zes van de dertien hoofdstukken voorafgaand aan de conclusie. Daarvan zijn er twee gewijd aan onderwerpen die niet zozeer betrekking hebben op zijn omgang met de Duitse autoriteiten en/of het uitvoeren van hun maatregelen: het hoofdstuk over mei 1940 en dat over de wederopbouw van Middelburg nadien. Ook het hoofdstuk over de reis naar Osnabrück in gezelschap van andere Zeeuwse bestuurders (1941) en De Bordes’ rede van 17 mei 1941 valt feitelijk in deze categorie: het uitvoeren van Duitse maatregelen komt er niet zozeer in aan de orde, wel het meedoen met de propagandareis van de bezetter (in ruil waarvoor De Bordes overigens enkele gunsten van de Duitsers verkreeg – geen gunsten t.b.v. hemzelf, wel te verstaan).
Er resteren dus drie hoofdstukken over De Bordes als bestuurder onder de Duitse
bezetting: het achtste (Bestuurder na de capitulatie), het tiende (Besturen onder druk) en het elfde (Het laatste jaar als burgemeester). Tezamen tellen deze hoofdstukken 20.522 woorden.
Uiteraard waren er meer kwesties dan de Jodenvervolging die speelden in deze periode, met name de houding ten aanzien van de druk van het Duitse bezettingsbestuur in het algemeen en de houding ten opzichte van de NSB. Verder bevatten deze hoofdstukken uiteenzettingen over de bredere context van de Middelburgse situatie en over De Bordes als lid van de Oxford-groep. De Jodenvervolging komt inderdaad weinig voor in de hoofdstukken acht en tien: ik bewaarde het onderwerp als het ware voor hoofdstuk elf. In totaal vertegenwoordigt de Jodenvervolging een kleine tien procent (1.952 woorden) van het aantal woorden van de hoofdstukken acht, tien en elf.
In mijn slothoofdstuk komt vervolgens de volgende passage voor over de houding van
de hoofdpersoon van de biografie ten opzichte van de Jodenvervolging: “…de houding van de hoogste overgebleven Nederlandse autoriteit, secretaris-generaal Frederiks van Binnenlandse Zaken, die een zekere verstandhouding met de Duitsers overeind wilde houden. Daaraan werd bijvoorbeeld de bescherming van de Joodse inwoners opgeofferd, terwijl de Duitsers de anti-Joodse maatregelen langzaam en amper zichtbaar opvoerden [noot: H.M. van Randwijk, In de schaduw van gisteren. Kroniek van het verzet, p. 31], van zuiver administratief tot werkelijke vervolging. Die laatste onttrok zich aan de ogen van de meeste Nederlanders en dus ook aan die van de burgemeesters. De houding van De Bordes daarin was gelijk aan de passieve houding van het grote merendeel van zijn collega’s, waarbij bedacht moet worden dat de zeggenschap over de gemeentepolitie in dezen door Duitse organen overgenomen was. // Ook van clandestiene pogingen om Joden te redden was voor zover bekend geen sprake – wat een zekere tegenstrijdigheid laat zien met De Bordes’ aansporingen aan Joodse stadgenoten om te vluchten in 1940. Liet hij het adagium van absolute eerlijkheid uit de Oxford-groep ook gelden ten opzichte van de nazi-autoriteiten? Speelde mee dat de Middelburgse Joden toch enkele dagen tevoren al door dokter Weijl waren gewaarschuwd of dat maar enkelingen in zijn woonomgeving zich bewust waren van de satanische kern in het nazisme? Degene die dit
laatste constateerde, de verzetsman J. van Tuinen, noteerde ook dat men in de regio in
kerkelijke kring aanvankelijk ‘tobde … met de vraag of men de bezetter als overheid moest aanvaarden en om Gods wil gehoorzaam diende te zijn. Zelfs met vooraanstaande
Middelburgers heb ik daaromtrent besprekingen gevoerd.’ Van Tuinen wees ook naar de
invloed ter plaatse van de brochure van oud-minister- president Colijn uit de zomer van 1940, die zich in feite neerlegde bij de Duitse heerschappij. De historicus Romijn in elk geval wees naar Frederiks: ‘Het onvermogen van het binnenlands bestuur om een collectieve strategie tegen de anti-joodse politiek te ontwikkelen, was een belangrijke factor in het grotendeels slagen daarvan.’ Plaatselijke autoriteiten zoals De Bordes waren bij deze politiek uitsluitend zijdelings betrokken tot op het moment van de deportatie naar Amsterdam in maart 1942. Dat was juist een tijdstip waarop de bevolking in haar algemeenheid verwachtte dat de Duitsers op relatief korte termijn de oorlog zouden moeten opgeven. Ook in Middelburg werd vrij algemeen een invasie verwacht in het voorjaar of de zomer van 1942.”
In dit concluderende hoofdstuk zeg ik dus dat De Bordes, zoals vele van zijn collega’s,
een ‘passieve houding’ ten aanzien van de Jodenvervolging aan de dag legde. Verder dat de
zeggenschap over de gemeentepolitie ten aanzien van op Joden en hun ‘evacuatie’ betrekking hebbende zaken, door de Duitsers was overgenomen. Ik vervolg met: ‘Ook van clandestiene pogingen om Joden te redden was voor zover bekend geen sprake.’ Het woordje ‘ook’ geeft duidelijk aan dat het hier dus een nevenstelling van twee door mij als negatief ingeschatte componenten van De Bordes’ houding tijdens de bezetting betreft. De lezers kunnen die conclusie uiteraard ook zelf trekken; ik hoef dat niet nog explicieter te maken door bijv. lucht te geven aan mijn verontwaardiging, zoals dhr. Roth doet t.a.v. burgemeester De Bordes.
Ook ik had liever gezien dat de hoofdpersoon van de biografie een minder passieve
houding had getoond, maar dat was nu eenmaal niet zo. Vervolgens probeer ik dan enige
verklaring voor deze houding te vinden – zie boven. Het is nu eenmaal de taak van een
biograaf om ook voor iemands minder juiste gedrag de beweegredenen te proberen te
doorgronden. In dit geval neemt de poging tot verklaren meer ruimte in beslag dan het feit
zelf, dat klaar en duidelijk is: passiviteit en geen enkel bewijs van clandestiene pogingen om Joden te redden. Zo kort kan dat gezegd worden, ja.
Dat ik voorbijga aan de volledige medewerking van De Bordes als burgemeester aan
de vervolging van de Joden, zoals dhr. Roth beweert (p.234, nogmaals 235), is dan ook niet waar en dat ik slechts verwijs naar diens eigen ontlastende verklaring (zie onder), is dan ook in strijd met de werkelijkheid. Een kort oordeel is ook een oordeel – dat mag niet verward worden met vergoelijken, zoals dhr. Roth mij verwijt (‘veegt hij – wat de Jodenvervolging betreft – diens blazoen schoon’, p. 234).
Bovendien wist ik dat dhr. Roth bezig was met een onderzoek naar de Jodenvervolging in Middelburg. Omdat het goed gebruik is onder historici om te proberen te vermijden op het terrein van een ander te komen tijdens lopend onderzoek, heb ik dat ook min of meer aan hem overgelaten. Dit mede in de verwachting dat ik zijn gegevens zou leren kennen wanneer hij eerder dan ik zou publiceren – wat zijn mails uit 2012 in elk geval als
mogelijkheid suggereerden (zie hieronder onder punt 2).
Het komt er dus op neer dat ik, als biograaf, veel geschreven heb over wat Van Walré
de Bordes als burgemeester in bezettingstijd bijzonder maakte: zijn optreden in mei 1940, zijn inzet voor Middelburgs wederopbouw, zijn ‘ruiltje’ met de Duitsers in hoofdstuk negen, zijn indringende gesprekken met Münzer en pogingen te marchanderen, zijn betrokkenheid bij de Oxford-groep en haar vredespogingen – en ook over wat het schriftelijke materiaal met zekerheid opleverde zoals de perikelen met de NSB-aanhang. Het niet, ook niet deels, saboteren van de Jodenvervolging had Van Walré de Bordes gemeen met vele honderden van zijn (niet-NSB)- collega’s. Daarover heb ik de passages uit het standaardwerk van prof. dr. P. Romijn (NIOD) Burgemeesters in oorlogstijd, geparafraseerd weergegeven, daarbij uiteraard diens zienswijze volgend.

Die zienswijze kent ook dhr. Roth, die daarvan o.a. blijk geeft door op p. 81/82 te schrijven: ‘Van de secretarissen-generaal, commissarissen van de Koningin (…), burgemeesters, etc., sympathiseert slechts een gering aantal met de Duitse bezetters. Daar staat tegenover dat ook maar zeer weinigen weigeren hun medewerking te verlenen aan de tegen de Joden gerichte maatregelen van de bezetter.’ Deze constatering wordt min of  meer herhaald op p. 91: ‘Bij de tenuitvoerlegging van al deze besluiten en verordeningen verleent de Nederlandse overheid haar volledige medewerking (lokale uitzonderingen daargelaten).’
Daarbij mag wel worden opgemerkt dat de auteurs van ‘Joods Vlissingen’, een in zekere zin met het boek van Roth vergelijkbaar werk, simpelweg de passiviteit van burgemeester Van Woelderen tijdens diverse fases van de Jodenvervolging noemen – maar zonder verdere uitweiding daarover of veroordeling van de persoon. Was Van Walré de Bordes soms nog passiever dan Van Woelderen? Daarvoor lijken de bewijzen te ontbreken.
Ik kan me ten aanzien van een enkele passage in mijn boek wel voorstellen dat deze op dhr. Roth als vergoelijkend is overgekomen. Daarbij valt te denken aan het door hem (op de tweede helft van blz. 234) aangehaalde gedeelte waarin wordt geopperd dat het aangeven van de kluis van juwelier Frenk bij de Duitsers door De Bordes mogelijk voortvloeide uit diens gedachte dat Frenk in Amsterdam zijn zaak zou moeten kunnen voortzetten. Deze suggestie was afkomstig van één van de kinderen van De Bordes. Ik heb die formulering overgenomen en daaraan ook de zinsnede ontleend die eerder in het citaat door dhr. Roth is onderlijnd: ‘vermoedelijk omdat hij absoluut niet uitging van ‘roof ’ door de bezettingsautoriteiten.’ Ten aanzien van Van Walré de Bordes geldt immers dat hij een aanzienlijke mate van naïviteit aan de dag legde t.o.v. de Duitse bezetter – daarop wordt hieronder nog ingegaan.
Ook is het juist geobserveerd door dhr. Roth dat ik in mijn elfde hoofdstuk relatief veel aandacht schenk aan een nogal ondergeschikte kwestie, het plaatsen van bordjes ‘Verboden voor Joden’ in Middelburg. Dat komt doordat dit een van de weinige kwesties was waarin burgemeester De Bordes t.a.v. de Jodenvervolging rechtstreeks betrokken was in de door mij aangetroffen bronnen, in dit geval in het archief van de Gemeentepolitie Middelburg.
Uiteraard zijn daarin de door dhr. Roth genoemde lijsten met namen van Joodse inwoners en uitvoeringsbescheiden t.a.v. de verplichte verhuizing naar Amsterdam te vinden, maar de naam van De Bordes ontbreekt daarin of daarop.
Bemoeienis door hem was er uiteraard wel zeker, die moet hebben bestaan uit het
doorgeven van de bevelen die via de Commissaris der Provincie van de Duitse autoriteiten af kwamen, aan het politieapparaat. (Dhr. Roth, specifiek schrijvend over de Jodenvervolging te Middelburg, beschrijft dit, maar ook zonder verdere nadere details t.a.v. de burgemeester.) De Bordes gaf deze bevelen door zoals een grote meerderheid der Nederlandse burgemeesters het deed; weigering zou vervanging door een NSB-burgemeester hebben betekend (zoals ook de weigering door de politiecommissaris laat zien) en niet het stoppen van het proces van gedwongen verhuizing. Wat dat betreft is het verwijt van niet-proberen te saboteren of anderszins clandestiene actie tot redding der Joden te ondernemen, eigenlijk het voornaamste verwijt dat De Bordes en zijn honderden collega’s te maken valt.
Overigens is dhr. Roth zich bewust geweest van het verschil in opzet en doel van mijn
biografie en zijn nu verschenen monografie. In zijn mail aan mij van 20 oktober 2012, 11.03
uur, schreef hij: ‘…we mogen dan verschillende inzichten (en onderwerpen!) hebben…’ Dit
contrasteert toch wel met zinj tekst op de achterkaft, zie hieronder punt 5. Een passage in mijn elfde hoofdstuk waaraan dhr. Roth zich geërgerd heeft, luidt: “Over de rol van burgemeester De Bordes zijn we alleen geïnformeerd door hemzelf. ‘Toen de Joden … uit Middelburg naar Amsterdam moesten vertrekken, heb ik geweigerd daaraan mee te werken en ben van verschillenden persoonlijk afscheid gaan nemen.’” Deze ergernis is
terecht. Ook ik was enigszins bevreemd door de uitspraak, maar omdat ik amper De Bordes’ naam tegenkwam in de stukken uit het politiearchief die betrekking hadden op het
samenstellen van de namenlijsten en op de gedwongen verhuizing naar Amsterdam, heb ik
mijn twijfel voorzichtigheidshalve niet sterk uitgedrukt. Ik schreef als vervolg op deze zinnen: “Zijn weigering, wat deze dan ook inhield, zal amper effect hebben gehad: de politie voerde de verhuizing uit en deze stond onder Duitse controle. Niet dat formeel weigeren onmogelijk was.”
Dhr. Roth merkt verder op dat Van Walré de Bordes vanwege zijn opleiding en vorige
werkkring (de Volkenbond) niet als een gemiddelde burgemeester kan gelden en dat van
naïviteit ten aanzien van het nazisme bij hem geen sprake kan zijn geweest. Hij spreekt (p.
233) dan van ‘een aanzienlijke politieke expertise’. Ik zou daar tegenin willen brengen dat
Middelburgs oorlogsburgemeester juist over weinig politieke expertise beschikte – zo is hij
nooit lid geweest van een politieke partij. De Bordes’ expertise was vooral diplomatiek van
aard, een tak van bedrijf waarin men vooral met overreding – zeker bij de Volkenbond – en niet zozeer met politieke of machtsmiddelen pleegt te werken. Dat was zeker het geval bij de financiële sector van de Volkenbond, waarbij De Bordes werkzaam was.
De reden dat De Bordes (al in het voorjaar van 1937) bij de Volkenbond vertrok, had
te maken met zijn onvrede over het niet langer bereiken van concrete resultaten door de Bond naarmate de jaren dertig vorderden. Het verhaal van zijn beslist aanwezige naïviteit – zelfs zijn kinderen verbaasden zich daarover op hoge leeftijd terugblikkend nog steeds – moet vanaf dat moment mede gezien worden in het licht van de ideologie van de Oxford-groep.
Aan de naïviteit van deze beweging en haar vredespogingen heb ik in de biografie veel ruimte gewijd, mede omdat de bestaande Nederlandse literatuur – op één uitzondering na, het boek door H.D. de Loor – bij mijn weten hierover zo goed als zwijgt.
Overigens groeide er in de tweede helft van de jaren dertig een discrepantie tussen de
leiding in de VS (Buchman) die wel degelijk het nazistische gevaar onderkende (zij het
misschien nog niet voldoende) en bepaalde kringen van volgelingen in Nederland, die nog
vasthielden aan het oorspronkelijke ‘recept’ van het overtuigen van tegenstanders en
bekering. Deze laatste lijn bereikte haar droevige hoogtepunt op de warrige bijeenkomst in
Boschoord in de zomer van 1942. Bij die bijeenkomst was het groepslid met het meeste gezag iemand die juist heel weinig van de grote wereld had gezien: de Friese verzekeringsagent Johannes de Boer. Dat hij anderen, die meer van de wereld hadden gezien, wist te overtuigen, kwam door zijn charisma – in combinatie met enkele door mij beschreven ‘constructiefouten’ in de ideologie en praktijk van de Oxford-groep.
Dat De Bordes vervolgens overstag ging voor het charisma van De Boer, moet mede
worden geweten aan zijn overwerkt- dan wel overspannenheid, die mede ontstaan was door de aanhoudende confrontaties met de Duitse bezettingsautoriteiten. NB: bij het marchanderen met de Duitsers, wat De Bordes met enige regelmaat beproefde, zal hij vermoedelijk op enig moment hebben ondervonden dat degenen met wie hij in Middelburg te maken had, geen enkele inbreng hadden ten aanzien van de Jodenvervolging, omdat daar ándere Duitse instanties over gingen.
Bij dit alles moet worden bedacht dat Van Walré de Bordes, net als meer leden van de
Oxford-groep, in de late jaren dertig en mogelijk ook tijdens het prille begin van de bezetting, van mening was dat niet alleen de As-mogendheden maar ook de geallieerden enige schuld hadden aan de internationaal escalerende situatie. Ook deskundigen hebben later wel gewezen op de rol die de hoge herstelbetalingen die de geallieerden eisten na de Eerste Wereldoorlog, de situatie in Duitsland in negatieve zin hebben beïnvloed. Van Walré de Bordes moet daarvoor een open oog hebben gehad. Hij was immers rechtstreeks betrokken bij een gunstige regeling dienaangaande voor een andere verliezer van WO I, namelijk Oostenrijk. Met eigen ogen had hij waargenomen dat een milde benadering een verzoenend effect kon hebben – hij had daaraan voor Oostenrijk zelf meegewerkt. Overigens eindigde het verblijf – met enige regelmaat – van De Bordes in Wenen in 1932, een jaar vóór de definitieve politieke opkomst in Duitsland van Hitler, die buurstaat Oostenrijk zo sterk bedreigde.

Ter afsluiting nog enkele correcties op het door dhr. Roth over mij opgetrokken beeld:
1. Het is niet juist dat ik consequent de verplichte ‘evacuatie’ van Joden naar Amsterdam ‘verhuizing’ heb genoemd. Op p. 262 gebruik ik daarvoor het woord ‘deportatie’ en op p. 175 staat: ‘De verplichte verhuizing – die voor velen later gevolgd zou worden door deportatie naar een concentratiekamp met de dood tot gevolg’. Op p. 176 staat: ‘wel kennen we de afloop van de verhuizing: 51 joodse Middelburgers zagen hun stad niet
meer terug’. Van verhulling is dus absoluut geen sprake.
2. In mijn bewering op p. 174 dat politiecommandant Fontijne al op 17 juni 1940 een lijst met Middelburgse Joden opstelde, ben ik afgegaan op De Bree, auteur van Zeeland 1940-1945. Deel I, die op p. 291 schrijft: ‘Een Middelburgse politiefunctionaris stelde in juni 1940 een lijst op van aldaar woonachtige ‘Israëlieten van Nederlandse nationaliteit’.’ Dat deze functionaris de commandant zou zijn, ontleende ik aan het ook door Roth genoemde interview met Henk Cosijn in J. van Damme’s Stemmen uit de sjoel van Middelburg. Dat deze bron niet klopt, is wel mogelijk. Roth schrijft echter: ‘een wilde beschuldiging die elke wetenschappelijke onderbouwing ontbeert.’ [Wat ‘wetenschappelijk’ hier betekent, is onduidelijk; dingen kloppen of kloppen niet.] Maar destijds wist ik absoluut niets over deze politiecommissaris. Zo was ik niet op de hoogte van het feit dat commissaris Fontijne later in 1942 als weigeraar van medewerking aan de transporten van Joden naar Amsterdam door de Duitsers werd opgepakt. Zoals ook Roth aangeeft, was het uiterst moeilijk om daar achter te komen en is hij dat gegeven geheel toevallig op het spoor gekomen. Ik weet niet of dit gegeven aan dhr. Roth reeds bekend was toen wij op 20 oktober 2012 mails naar elkaar stuurden naar aanleiding van de gereed zijnde hoofdstukken van mijn boek, die ik hem had laten lezen. Dhr. Roth weigerde bij die gelegenheid mij elk inzicht in het door hem reeds geschreven materiaal, hoewel ik daarom had verzocht. Hij had immers laten weten dat mijn teksten in zijn ogen te kort schoten.
Onder collega historici is het in zulke gevallen een goed gebruik om elkaar in elk geval in het kort inhoudelijk aan te geven waaraan het schort. Dhr. Roth weigerde echter elke aanwijzing waaruit ik had kunnen opmaken in welke richting ik nog had kunnen zoeken om de tekort schietende tekst te verbeteren. Hij suggereerde dat ik mijn boek na het zijne zou laten uitgeven, mij onkundig latend van het tijdstip waarop dat laatste zou gebeuren. Ik had dan ook zeker niet het idee dat dat pas in 2018 zou zijn. Ik verkeerde, anders dan de amateurhistoricus Roth die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, niet in de luxe positie dat ik kon doorgaan met dingen uitpluizen. Toen wij de mails wisselden, waren de voorbereidingen voor het uitkomen van de biografie van Van Walré de Bordes (januari 2013) al in volle gang.
Kortom: ik ben t.a.v. de politiecommissaris (zuiver en alleen t.a.v. juni 1940) afgegaan op een bron die misschien niet klopte, iets wat historici simpelweg kan overkomen. Dat dhr. Roth dit ziet als een onderdeel van het vergoelijken van burgemeester De Bordes in mijn biografie, lijkt me een onderdeel te zijn van de door dhr. Roth gehanteerde tunnelvisie: hij brengt dingen met elkaar in verband die volledig los staan van elkaar. Het is wel opmerkelijk dat Roth tegen andere historici die hij in zijn boek soms op onvolledigheden betrapt, zoals De Bree (p. 45) in het geheel niet dezelfde toon aanslaat die hij in zijn Naschrift tegen ondergetekende hanteert.
3. Als voorbeeld van de suggestieve manier van schrijven van dhr. Roth in zijn Naschrift mag bijvoorbeeld gelden, op p. 243: ‘Zwemer onthoudt ons de (ongetwijfeld voorgewende) reden waarmee JWB de Reichskommissar tot een onderhoud heeft weten te bewegen …. De auteur bezorgt ons slechts een anticlimax door uitsluitend de uitslag mede te delen en wel in één enkele zin: Het gesprek met Seyss-Inquart werd een fiasco.’ De reden waarom ik noch over het één, noch over het ander méér meedeel, is simpel: meer dan dit wist en weet ik ook niet. De bronnen hierover zijn eenvoudigweg uiterst beperkt.
Daaraan aansluitend: Roth eindigt de bijbehorende noot (367) met de woorden: ‘De reden waarom zij de voordeur mijden en op deze curieuze wijze de overige aanwezigen de rug toekeerden, licht de auteur ons niet toe.’ Dit fragment gaat over het vertrek van Frits Philips en zijn echtgenote van de Boschoord-bijeenkomst. Daarover zijn slechts enkele passages van de hand van De Bordes bekend, enkele passages uit het standaardwerk van De Loor over de Nederlandse Oxford-groep en wat flarden herinneringen van kinderen van deelnemers van destijds. Uit die laatste bron is de betreffende mededeling afkomstig. Overigens gaat aan de passage over Philips’ verlaten van Boschoord een uitleg – door mij – vooraf van diens bedenkingen tegen de daar en toen opgeld doende ideeën. Dat de Philipsen door het raam klommen, lijkt erop te duiden dat zij de sfeer te geëxalteerd vonden om daartegen rechtstreeks in te gaan. Dat is een veronderstelling, meer niet. De lezer kan eventueel zelf die conclusie trekken; dat Roth verwacht dat ik méér zou hebben geweten, doet wat vreemd aan.
4. Ik heb niet letterlijk de ‘stelling’ geponeerd dat Van Walré de Bordes het diabolische karakter van de nazi-beweging niet heeft onderkend (Roth, 233), al zou ik dat ook niet willen ontkennen. Op de betreffende plaats haal ik De Loor aan, de geschiedschrijver van de Oxford-beweging in Nederland, die schrijft dat ‘de meeste groepers naïef [waren] ten opzichte van Duitsland en [het niet paste] in hun upper-class codes van goede manieren … om het diabolische van het Derde Rijk te herkennen. Maar daarin reflecteerde men natuurlijk het gevoelen van vele fatsoenlijke Nederlanders in die dagen.’
5. Het door dhr. Roth op de achterkaft van zijn boek geschrevene ‘dat de bestaande Zeeuwse geschiedschrijving van ‘Middelburg en de Holocaust’ talrijke hiaten en ‘onnauwkeurigheden’ kent’, is in zoverre juist dat géén van de voorafgaand aan ‘Broze Burchten’ geschreven literatuur ooit de pretentie heeft gehad te handelen over uitsluitend dit onderwerp. Alle auteurs schreven in eerste instantie over andere onderwerpen dan ‘Middelburg en de Holocaust’.
6. In noot 219 versimpelt dhr. Roth de werkelijke gang van zaken, die heel complex was en voor elk van de genoemde kwesties verschillend, wanneer hij het aanbieden van een lunch aan Seyss-Inquart door Van Walré de Bordes, diens oproep om gul te geven voor de Winterhulp (let wel: voor het eerste seizoen toen alle opbrengst aan Middelburgse oorlogsgetroffenen ten goede kwam) en zijn deelname aan de propagandareis naar Osnabrück, op één hoop gooit als blijken van zijn zich afficheren als verzoenende burgervader. Ieder die de biografie van de burgemeester heeft gelezen, dus ook dhr. Roth, kan weten dat dit ten enenmale onjuist is. In dezelfde categorie van bevooroordeeldheid is waarschijnlijk te plaatsen dat Roth het formeel-ambtelijke taalgebruik van de burgemeester in ambtelijke stukken, destijds en ook lang daarna nog gebruikelijk, voor gebrek aan sympathie of serviliteit aanziet (p. 149 en 176). Van Walré de Bordes kan gewoon geen goed doen bij Roth.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *