Zeeuwse schrijvers (173): Jacob Stamperius

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 173: Jacob Stamperius.

Maar in gedachten was hij altijd in het dorp van  zijn jeugd gebleven. In Wilhelminadorp, voorzien van een Stamperiusstraat en van  een Stamperiusschool, is hij nog een begrip.

De drie Japen
J. Stamperius

door Mario Molegraaf

Het eerste hoofdstuk heette ‘Een zomeravond aan de Ooster-Schelde’. De
openingszinnen luidden: ‘’t Is avond. De laatste stralen der zon vergulden het roode
pannendak van het eenvoudige veerhuis, dat tegen de binnenglooiing van den dijk is
gebouwd.’ Zo begon in 1888 de literaire loopbaan van J. Stamperius, behalve
schrijver ook schoolmeester, en niet gezegend met een bijster ruime fantasie. De titel
van het debuut was simpelweg ‘Het veerhuis aan de Ooster-Schelde’. Zijn overige
titels, een hele lijst, klonken al even voorspelbaar. En ook voor de inhoud putte hij
niet uit zijn verbeelding, wél volop uit zijn herinneringen. Zeer Zeeuwse
herinneringen.
In april 1858 was de bakker van Wilhelminadorp (toen onderdeel van de
gemeente Kattendijke) aangifte komen doen van de geboorte van zijn zoon, Jacob
Stamperius. Die zou in 1936 te Zeist overlijden, na onder meer in Amsterdam en
Baarn werkzaam te zijn geweest. Maar in gedachten was hij altijd in het dorp van
zijn jeugd gebleven. In Wilhelminadorp, voorzien van een Stamperiusstraat en van
een Stamperiusschool, is hij nog een begrip. Alleen vrees ik dat zijn faam niet ver
buiten het dorp aan het kanaal reikt. Hij heeft zijn dorp, het kanaal en vooral ook het
Goese Sas uitvoerig en uitbundig beschreven. Eenkennig was hij trouwens
allerminst: hij koos allerlei Zeeuwse onderwerpen, hij is bijvoorbeeld de auteur van
‘Frans Naerebout. De loods van Vlissingen’, van ‘De ondergang van Reimerswaal’ en ‘’t
Verhaal van den toren van Zierikzee’.
Stamperius wilde verantwoorde kinderboeken schrijven, ‘voedsel bieden voor
hoofd en hart.’ Dat is hem misschien het beste gelukt in de ‘Drie Japen-serie’, in
1891 begonnen met ‘Drie kwajongens’, onverhuld autobiografisch. Jaap één was
hijzelf, ‘Jaap van den bakker’. Nummer twee en nummer drie waren ‘Jaap van den
schipper’ en ‘Jaap van den dominee’. Ze waren berucht: ‘De drie Japen! De drie
grootste kwajongens van het dorp!’ Van Wilhelminadorp dus, aan een vaart ‘welke
de stad waar wij school gingen, verbond met de Schelde.’ De Schelde, onmiskenbaar
de bron van Stamperius’ schrijversbloed.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *