Jaren van de tijger

De nieuwe Joost van Driel is geland. Na het overrompelende debuut vorig jaar kijkt iedereen uit naar zijn tweede roman: ‘Jaren van de tijger’.

door Jan van Damme

Meteen de eerste pagina weten we waar we aan toe zijn: ,,Ik was net in elkaar geslagen, ik zat te trillen achter een glas whisky, en zij, dat meisje van wie we de naam niet wisten en dat me zojuist had gered, beweerde dat ik niet moest drinken, hoewel zij zelf in twee teugen dat glas bier naar binnen werkte?” Het meisje zegt ook nog: ,,Hoe harder je schreeuwt, hoe harder ze slaan.” Om dan uit te leggen dat ze de ene aanvaller een simpele pantservuist had gegeven, de andere een sidekick en een tijgerklauw in zijn ogen en daarna had ze ‘de lelie de zon laten kussen’: ze had een arm van een aanvaller op twee plaatsen gebroken.

Achter ‘wij’ gaan hoofdpersoon Patrick en zijn vriendin Femke schuil. Het meisje, de reddende engel is Ines, ze beoefent Bowuguan, een traditionele vechtsport uit China. Patrick is een jonge wetenschapper in Leiden, hij doet onderzoek naar de dodendans in de middeleeuwse literatuur en kunst. Een op en top studeerkamergeleerde, die denkt aan sport te doen als hij zijn bureaustoel achteruit rijdt. Hij raakt in de ban van Ines, en van de Chinese vechtkunst.

Dat is het vertrekpunt van ‘Jaren van de tijger’, de tweede roman van Joost van Driel (1976) uit Koudekerke. Op het eerste gezicht heel iets anders dan ‘In het museum’, het boek waarmee hij vorig jaar succesvol debuteerde. In die eersteling gaat een vader aan de zwier in Brussel, terwijl hij zijn zoontje onder de hoede van een ingehuurde oppas dropt in het natuurwetenschappelijk museum, tussen de dinosauriërs. Van Driel: ,,Mijn eerste boek liet zich heel gemakkelijk schrijven. De sfeer en de toon voelde ik vanaf het begin aan. Dat gevoel wilde ik bij mijn tweede boek wegdrukken, anders ga je een ‘In het museum 2’ schrijven. Het verhaal van ‘Jaren van de tijger’ had ik in feite al klaar liggen. Maar het voelde niet af. Mijn idee was om over vechten en geweld te schrijven, in een stijl die je elegant noemt. Ik merkte bij mezelf de neiging om ruw te gaan schrijven in vechtscènes, heel staccato. Daar heb ik mee geworsteld om het helderder en eleganter te maken. Judith, mijn vrouw, is mijn geweten. Zij las het en ik zag aan haar reactie dat het niet goed was. Ik heb vervolgens meer lege plekken in het verhaal gebracht, meer lucht, ik ben gaan schaven en heb heel veel geschrapt. Dat is geen prettig werk, dat kan ik wel zeggen.”

Tot zes jaar geleden was de in Middelburg geboren en opgegroeide Van Driel als onderzoeker en docent verbonden aan de Universiteit van Leiden. Daar was hij ook gepromoveerd op een studie naar de diverse stijlen in de middeleeuwse verhaalkunst. Toen zijn werk door bezuinigingen stopte keerde hij met vrouw en drie kinderen terug naar Zeeland, weg uit de volle Randstad. Nu is hij leraar Nederlands op de Middelburgse scholengemeenschap Nehalennia. Over het afscheid van het universitaire wereldje heeft hij een dubbel gevoel. Hij mist het, maar heeft nu wel de ‘geestelijke’ ruimte om romans te schrijven.

Veertien jaar geleden was hij bezig te promoveren toen een collega hem meenam naar een kungfu-les. Hij deed mee, vond het in het begin vreselijk, maar zette door. Langzamerhand ontstond er zelfvertrouwen en plezier. Hij vertelt: ,,Ik was promovendus. Overdag zat ik in mijn hokje in de universiteit. ’s Avonds ging ik met vrienden naar kungfu-les. Daar kwam ik met blauwe plekken van terug. Ik heb ook wel eens een gebroken neus gehad. Dat vonden de mensen op de universiteit wel eng. Maar er was ook bewondering.”

De vechtkunst bestaat uit diverse stijlen. Van Driel beoefent ‘Choy Lee Fut’. Nadat hij zich in Zeeland had gevestigd, kon hij de lessen niet meer volgen. Hij was inmiddels assistent-instructeur. ,,Ik overlegde met mijn leraar. Hij stelde voor dat ik zelf les zou gaan geven. Die raad heb ik opgevolgd, ik geef nu 2,5 jaar kungfu-les in Middelburg aan zo’n dertien leerlingen, jong en oud. Ik vind het heerlijk. En de mensen die het doen worden er blij van.”

Of hij zelf wel eens in elkaar geslagen is: nee, zo ver komt de werkelijkheid niet overeen met zijn roman. Hij zou wel een aanvaller kunnen uitschakelen: ,,Kungfu maakt een ander mens van je. Minder bang, je staat steviger in het leven. Als je je neus eens gebroken hebt, dan ben je daar niet bang meer voor. De vechtkunst heeft mijn leven verrijkt, zonder meer.”

foto Ruben Oreel

Op vrijdagavond treffen we hem in de gymnastiekzaal van de Algemene Basisschool in Middelburg. Een blauwe glimbroek, een wit mouwloos hesje met rode Chinese karakters op zijn rug. Er worden ‘vormen’ geoefend, posities, sprongen. Hij doet een ‘zwaardvorm’ voor, de Dahn Do, die uit ongeveer honderdvijftig stappen bestaat. Elke beweging, elke stap, elke positie staat voorgeschreven, je moet ze allemaal uit je hoofd kennen: ,,Het is een vorm van jezelf dresseren. Precies zoals de monniken honderd jaar geleden in China deden. Als ik een zware dag heb gehad op school, dan loop ik zo’n vorm. Zo heb ik altijd iets om op terug te vallen en mijn hoofd leeg te maken. Vechtkunst en geest vormen geen tegenstelling. Er wordt op neergekeken, veel mensen hebben ook een afkeer van geweld. Terwijl ik geleerd heb, dat een potje vechten heerlijk kan zijn.”

In de roman hebben Ines en Patrick het gevoel dat ze anders zijn dan anderen, alsof ze uitverkoren zijn. De schrijver: ,,Ik word geïntrigeerd door die worsteling om anders te zijn. Hoofdpersoon Nico in mijn eerste roman wilde ook meer zijn dan een verkoper van overhemden. Vrij, ongebonden. Het idee om met vrouw en kinderen in een busje te stappen en de hele wereld rond te trekken. Ik bewonder mensen die dat doen. Wat zit ik hier te verpieteren, denk ik dan. Maar er is een andere kant. Ik zie ook dat die avonturen vaak fout aflopen, dat de vader eindigt in het vreemdelingenlegioen.”

***************************

De nieuwe roman Jaren van de tijger van Joost van Driel speelt in het heden. Het grootste deel van het verhaal is in Leiden gesitueerd. Er wordt wel een uitstapje naar Zeeland gemaakt. Hoofdpersoon Patrick wordt gefascineerd door Ines, een meisje dat uitblinkt in Chinese vechtkunst. Hij raakt ook bevriend met de Ierse Steve, vechtkunstenaar en zwerver. Hun vriendschap kan geen stand houden.

Joost van Driel: Jaren van de tijger – Uitgeverij Vrijdag, 254 pagina’s, 19,95 euro.

******************************

Signalement:

Een nieuwe Zeeuwse schrijver van formaat

Ik had helemaal niets met Chinese vechtkunst. Mannen die een balk doormidden slaan met hun blote hand, meer wist ik niet. Hoogstwaarschijnlijk zal dat een Japanse sport zijn, of Koreaans. Joost van Driel heeft me met zijn nieuwe roman ‘Jaren van de tijger’ uit de droom geholpen. Nu weet ik wat in de Chinese vechtkunst een ‘vorm’ is, hoe veel tijd en moeite het kost om daar ook maar enigszins in weg te raken, en – dat geloof ik zonder meer – dat je je hoofd ermee leeg kunt maken.

In het gesprek dat we hadden vertelde Van Driel op een gegeven moment over ‘leven op de rand van een vulkaan’. Dat type leven trok hem, hij vond het ook interessant om over te schrijven. Promovendus Patrick is in Van Driels nieuwste boek net zo gefascineerd door dat leven ‘op de rand’. Hij leert een bepaalde Kungfu-stijl, raakt in de ban van het nogal losgeslagen meisje Ines en gaat de Ierse zwerver Steve als vriend beschouwen. Patrick zit in zijn veilige universitaire wereldje met vriendin Femke, die al de namen van de kinderen weet die ze samen gaan krijgen. Zijn nieuwe vriendschappen brengen hem in een wereld, die heel wat onvoorspelbaarder en gevaarlijker is.

Ik leef met Patrick mee. Moet je je verliezen in een studie over de dodendans in de middeleeuwen? Die studie zal ongetwijfeld een bejubeld proefschrift opleveren dat verder nooit meer door iemand zal worden opengeslagen. Of ga je mee met de twee vrienden, die zich verheven voelen boven zijn suffe, burgerlijke wereldje. Patrick scharrelt en sjoemelt om de door Femke verafschuwde vechtkunst en de daarmee verbonden vriendschappen toch een plek in zijn leven te geven. De vriendschap met Steve lijkt een tijd lang hecht en wederzijds, Ines daarentegen laat altijd goed uitkomen dat hij nooit echt los zal komen van zijn universitaire achtergrond.

Joost van Driel schreef een heerlijk lichtvoetig en elegant boek, lichtvoetig en elegant als zijn kungfu-dans. Met zijn debuut ‘In het museum’ was al duidelijk dat we een nieuwe Zeeuwse schrijver van formaat mochten verwelkomen. Met zijn tweede roman bevestigt hij die status. En wat mooi is meegenomen: het is leuk om over een ‘leven op de rand’ na te denken en erover te lezen. Spannend zijn die mensen, maar toch ook behoorlijk egoïstisch. Met die gedachte in mijn hoofd rijd ik tevreden in mijn Hyundai naar mijn vaste baan.

Dit bericht is geplaatst in Proza met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op Jaren van de tijger

  1. Pingback: Interview PZC over Jaren van de tijger | Joost van Driel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.