Broze Burchten

Jacob Fontijne was een held
Dirk Leendert Roth schrijft over Middelburg en de Holocaust

Een nieuw boek over de jodenvervolging in Middelburg brengt eerherstel voor politiecommissaris Jacob Fontijne: hij weigerde mee te werken aan de deportatie.

door Jan van Damme

Het was 2012, de vierde mei. Dirk Leendert Roth keek op de televisie naar de herdenking op de Dam in Amsterdam. Een meisje las na de twee minuten stilte een gedicht voor, dat hem raakte. Hij hoorde haar naam, Charlotte Fontijne. In een toelichting schreef ze over haar overgrootvader Jacob Fontijne (1895-1980), die in Middelburg politiecommissaris was tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd in 1942 gearresteerd, omdat hij weigerde mee te werken aan de verplichte verhuizing van de joodse inwoners naar Amsterdam.

In zijn pas verschenen boek ‘Broze Burchten – Middelburg en de Holocaust’ omschrijft Dirk Leendert Roth de herdenking van 2012 als het moment, dat hij op het spoor van politiecommissaris Fontijne werd gebracht. Tot dan had hij in de archieven en literatuur niets over diens arrestatie kunnen vinden. Zelfs in het standaardwerk ‘Zeeland 40-45’ van Levien de Bree komt de naam niet voor. Via de familie Fontijne krijgt Roth de beschikking over enkele bewaard gebleven documenten uit die tijd. Daaruit wordt duidelijk dat Jacob Fontijne weigerde mee te werken aan de inventarisatie van joodse personen en bezittingen. Daarom werd hij gearresteerd en overgebracht naar het pas geopende gijzelaarskamp Beekvliet in Sint Michielsgestel, waar hij 21 maanden gevangen zat.

Roth schrijft een dankwoord aan Charlotte Fontijne (pagina 153): ,,Dankzij haar zijn we in staat Jacob Fontijne (foto) in de Zeeuwse geschiedschrijving de ereplaats toe te kennen die hij verdient, maar die hem tot op heden om onverklaarbare redenen werd onthouden.” Roth verwijst in zijn boek naar de door Jan Zwemer geschreven biografie van de Middelburgse oorlogsburgemeester Jan van Walré de Bordes. In dat in 2014 gepubliceerde levensverhaal ‘Zijn open eenvoud was zijn grootste charme’ wordt Fontijne beschuldigd van ‘Deutschfreundlichkeit’. Ten onrechte, schrijft Roth op pagina 238 van zijn boek: ,,Fontijne, een man die met groot risico voor zijn eigen leven had geweigerd joden onder zijn bevel te doen afvoeren.”

Dirk Leendert Roth in Heerhugowaard is – anders dan zijn achternaam doet vermoeden – geen jood. Hij heeft negen jaar gewerkt aan zijn studie over de geschiedenis van de Middelburgse joden tijdens de bezettingsjaren. Roth is een Middelburger: hij werd er in 1934 geboren in de Sint Jorisstraat, nu de Sint Antheunisstraat. Zijn vader was beeldhouwer, die veel werk deed in opdracht van monumentenzorg – hij was jarenlang actief in de Grote Kerk van Veere en vervaardigde ook het bevrijdingsmonument voor Vrouwenpolder. Zoon Dirk Leendert Roth ging na de Rijks-HBS naar Maritiem Instituut De Ruyter in Vlissingen en voer tien jaar als stuurman over de wereldzeeën op passagiersschepen van de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij. Daarna kon hij als loods in Vlissingen aan de slag, maar hij koos voor een regelmatiger baan als hoofd van het planbureau van de Hoogovens in IJmuiden. Toen hij daar in 1993 vertrok kreeg hij ruimte om zijn oude liefde voor Zeeuwse geschiedenis ruim baan te geven. In 2007 publiceerde hij ‘Ene stille waerheyt van sware dingen’, opstellen over de periode 1245-1305 in Zeeland.

‘Broze Burchten’ is zijn tweede boek. Roth (foto) vertelt: ,,Toen de oorlog begon was ik zes jaar. De stadsbrand en onze evacuatie vanuit het centrum van Middelburg naar de Noordweg kan ik me levendig herinneren. Een dag later gingen we in colonne terug om te zien of ons huis er nog stond. Dat was het geval. De stad brandde nog, de stank zal ik nooit vergeten.” Tijdens de bezettingsjaren kreeg hij een longaandoening en moest zeven maanden het bed houden. Hij noemt die periode vormend: zijn grootvader bracht regelmatig een deeltje uit de serie over de Nederlandse geschiedenis in een provocerend rood-wit-blauw bandje. Daar werd de kiem voor zijn belangstelling voor het verleden gelegd.

Op zoek naar een onderwerp voor een nieuw boek vroeg hij een tante naar haar ervaringen in de meidagen van 1940. Die schreef ze voor hem op. En ze zei ook: ,,Ik heb in de oorlog nog veel meer meegemaakt. Dat kan ik niet opschrijven, want dan moet ik huilen. Dat had alles te maken, zo vertelde ze later, met de jodenvervolging. Ik ben vervolgens in die geschiedenis gedoken en kwam tot de conclusie, dat alleen De Bree er over had geschreven. En dan niet eens volledig. Dat gaat deze jongeman dan maar doen, heb ik toen gezegd.”

Roth legt in zijn boek uit hoe de Duitse bezetter ‘uiterst geraffineerd’ de deportatie van honderdduizend Nederlandse joden voorbereidde. ,,Mijn redenering was”, zegt de schrijver, ,,dat de lokale situatie een belangrijke rol in dat proces moest spelen. Zonder medewerking van de plaatselijke bestuurders was het niet mogelijk om de joodse inwoners op de trein naar Amsterdam te zetten, voor iemand er erg in had.” Dat gold ook voor Middelburg, waar 147 joden moesten vertrekken. Het was bijvoorbeeld een Nederlandse politieman die op 24 maart 1942 aanbelde om te controleren of de joden klaar voor vertrek stonden en de sleutels van hun huis inleverden. Roth: ,,In dat hele proces van registratie en verwijdering van de joden lagen momenten waarop Nederlandse bestuurders hadden moeten afhaken. De meesten voerden echter alle door de Duitsers opgelegde maatregelen uit, het aantal weigerachtigen was niet erg groot.”

foto: Burgemeester Jan van Walré de Bordes (rechts) met Seyss-Inquart.

In Middelburg was het alleen politiecommissaris Jacob Fontijne die de moed had om te weigeren. Zijn directe baas, burgemeester Jan van Walré de Bordes, verleende volgens Roth alle medewerking aan het afvoeren van zijn joodse inwoners: hij voerde de maatregelen van de Duitse bezetters ‘nauwgezet uit’ (pagina 232).   Daarin verschilde hij weinig van de meeste van zijn ambtgenoten. In 1945 beweerde hij echter (pagina 134): ,,Toen de Joden… uit Middelburg moesten vertrekken, heb ik geweigerd daaraan mee te werken.” Dat is volgens Roth een ,,flagrante leugen.” Hij vindt ook dat Jan Zwemer in zijn biografie van Van Walré de Bordes het blazoen van de burgemeester ten onrechte schoon veegt door diens rol bij de jodenvervolging te marginaliseren.

Zo levert ‘Broze Burchten’ met politiecommissaris Jacob Fontijne een nieuwe ‘held’ op en wordt duidelijk dat burgemeester Van Walré de Bordes geprobeerd heeft zijn rol in de gedwongen verhuizing van de Middelburgse joden te verdoezelen.

Dirk Leendert Roth: Broze Burchten. Middelburg en de Holocaust – Elikser Uitgeverij, 294 pagina’s, 27,50 euro.

*****************

Opa met statuur

foto: links zittend politiecommissaris Jacob Fontijne, tweede van rechts zoon Jacob Fontijne.

De 52-jarige kleinzoon Jacob Fonteijne is vernoemd naar zijn grootvader uit Middelburg. Hij is ingenieur en woont in Sint Michielsgestel, vanaf 2003 werkte hij drie jaar voor Delta Nutsbedrijven. Over zijn opa zegt hij: ,,Ik herinner me hem als een voorname man, een opa met statuur.” Over de oorlog heeft hij hem nooit horen vertellen.

Jacob Fonteijne heeft vier jaar geleden, kort na het overlijden van zijn vader, een ‘e’ voor de ‘ij’ in zijn achternaam laten toevoegen. Zijn opa en vader waren trots op hun Zeeuwse wortels en hadden uitgebreid stamboomonderzoek gedaan. Ze lieten een heel stapeltje originele geboortebewijzen na. Daaruit bleek dat er pakweg 150 jaar geleden een schrijffout was gemaakt. Die is nu hersteld, Fontijne heet weer Fonteijne.

 

Dit bericht is geplaatst in Tweede Wereldoorlog met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.