Zeeuwse schrijvers (160): Jan Mens

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver (of uitgever). Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 160: Jan Mens.

Betje Wolff is in het boek een van oprechtheid stralende ster in een onwaarachtig universum. Daaraan ontsnappen wordt haar levensdoel.

Vlissingen zo ver
Jan Mens

door Mario Molegraaf

Jan Mens (1897-1967) was zo’n auteur over wie de literaire critici van te voren
wisten dat hij nooit iets goeds zou schrijven. Dus toen in 1953 Elisabeth verscheen,
zijn roman over Betje Wolff, waren de reacties voorspelbaar. Vooral de NRC haalde
smalend uit. Achteraf kun je slechts vaststellen: hé, ook toen was die krant, ondanks
de pretentieuze toon, niet vies van nepnieuws. Er is niets mis met Elisabeth, hooguit
had Jan Mens de schijn tegen. Zijn carrière was anders verlopen dan die van de
gemiddelde Nederlandse letterkundige. Na de ambachtsschool vond hij werk bij
biljartfabriek Wilhelmina. In de crisisjaren verloor hij zijn baan, maar had het geluk
een schrijfprijsvraag te winnen. Een volksschrijver was geboren, jaloers makend
geliefd bij het publiek.
Anders dan de recensenten suggereerden, maakte hij het zich niet
gemakkelijk. Om Elisabeth te kunnen schrijven logeerde hij in de befaamde pastorie
te Midden-Beemster. Ook reisde hij af naar Vlissingen, om stukken te bekijken en
om de sfeer te proeven. Zo ontstond eindelijk eens een historische roman die ontroert
en treft. Betje Wolff is in het boek een van oprechtheid stralende ster in een
onwaarachtig universum. Daaraan ontsnappen wordt haar levensdoel. Ze heeft een geruchtmakende affaire met een vaandrig.
In het begin van de roman vaart een dominee op vrijersvoeten Zeeland
binnen. Al van de schipper krijgt hij verhalen over Betje te horen: ze is in Vlissingen
‘gezien als een vlo in ’n hemd.’ Het ontmoedigt hem niet, in haar brieven heeft ze
haar affaire opgebiecht. Nog jaren later denkt ze terug aan het avontuur, aan ‘die
kussen, met een smaak van Parfait d’amour.’ Haar ‘Zeeuwse kleur’ verliest ze in de
Beemster niet, ze mist haar stad: ‘En Vlissingen was zo ver, zó ver…’ Haar
herinneringen tintelen nu nog: ‘De visserschepen met opgedoekt want deinend aan de
wal, de vuurbaak op het Keizershoofd, en in de verte de zee.’ Jan Mens, geloof deze
ene recensent wél, hij kon er wat van.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Zeeuwse schrijvers (160): Jan Mens

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *