Dwangarbeider van de poëzie

Dwangarbeider van de poëzie

André van der Veeke viert zijn zeventigste verjaardag met een bundel waarin hij zijn poëtische productie overziet. Al te feestelijk klinkt de titel niet: Dwangarbeider van de poëzie.

**************************

door Mario Molegraaf

Zo voelde hij zich ooit, zegt hij in het voorwoord, hij moest en zou dichter
worden. En niet zomaar een dichter: ‘alles uit mezelf halen, mezelf onderuithalen en weer op laten staan.’ Achteraf rest slechts de vraag, voor eeuwig door J.C. Bloem geformuleerd: is dit genoeg, een stuk of wat gedichten? De lezer mag aan de hand van deze selectie uit zeven bundels, vanaf Het Sacrament van de sneeuw (1992) tot en met Poldergeest (2014), het antwoord bepalen.

Meteen valt op dat Van der Veeke zich ondanks zijn hoge eisen nooit heeft geforceerd. Hij zoekt het niet ver weg, maar blijft dichtbij, letterlijk. Een dichter van eigen bodem, die doorgaans beschrijft wat hij om zich heen ziet, te Aardenburg of Terneuzen. Maar hij kijkt met net iets andere ogen dan u en ik. Bij een bezoek aan het kerkje van Hoofdplaat vraagt hij niet de aandacht voor het interieur, maar voor een aanpalende groentetuin, in de sla, peen en tomaten herkent hij ‘Regels, nee, hele citaten uit de Schrift.’ Nog liever beklimt hij
de dijk, de dijk van de Westerschelde natuurlijk, waar hij in duffe dammen ‘glibberige geslachtsdelen’ herkent of zo’n saai schip van de China Shipping Line hem tot mooie dromen brengt. Op zulke momenten is er geen dwangarbeider te bekennen. De poëzie legt hem geen ketenen op, maar verleent hem de vleugels om dat mooie dichtersspel te kunnen spelen van ik zie, ik zie wat u nooit ziet.

André van der Veeke: Dwangarbeider van de poëzie. Honderd geselecteerde
gedichten – Uitgeverij Liverse, 144 pag., 19,50 euro.

*************************

VOORWOORD André van der Veeke in de bundel Dwangarbeider van de poëzie:

Ooit noemde ik me voor de grap Dwangarbeider van de Poëzie. Dit deed ik naar
aanleiding van een foto, een jeugdportret. Hij staat op de omslag van deze
bundel. Met loodzware, Russische melancholie staar ik de wereld in. Er kan
geen lachje af. Kwellingen, detentie, dwang – ik heb het allemaal meegemaakt,
schijnt mijn blik te zeggen. Jaren later begreep ik dat mijn opmerking zo gek
nog niet was, in ieder geval niet alleen grappig. Goed, ik had nooit in vodden
gekleed bij een temperatuur van min dertig graden Celsius hoeven schrijven. En
ik was ook nooit afgetuigd aan mijn schrijftafel. Maar het begrip dwang was wel
degelijk van toepassing op mijn situatie. Schrijven was immers voor mij geen
vorm van tijdverdrijf, van iets erbij doen. Ik moest en zou poëzie schrijven.
Alleen gedichten konden mijn leven glans en diepgang geven. Een verblindende
samenhang moest er ontstaan, een generaties diepe zang. Of ik ooit dat niveau
zou bereiken, was natuurlijk de vraag. Wat ik nastreefde was niet gering: alles
uit mezelf halen, mezelf onderuithalen en weer op laten staan. Ik wilde
verticaliteit in mijn werk, maar geen geforceerde duisternis. Ik wilde het in mijn
eentje doen, ik wilde – God zij me genadig – goed worden. Ik had er simpelweg
alles voor over om mijn hoogste niveau te halen. En voor twijfel was geen
plaats. Kortom ik had mezelf tot Dwangarbeider van de Poëzie gemaakt.
Inmiddels heb ik een leeftijd bereikt waarop ik me afvraag: is het dit allemaal
waard geweest? Heb ik het grote, verre doel bereikt? Ik laat die vragen graag
om voor de hand liggende redenen met rust. Mijn enige antwoord is deze
bundel, waarin ik een honderdtal gedichten geselecteerd heb. Ik weet niet eens
zeker of het de beste teksten uit mijn werk zijn, maar ze ogen wel als
karakteristiek voor wat ik tot nu toe geschreven heb.
(Ik wilde gedichten schrijven, maar diep in mijn hart wilde ik nooit dichter zijn.
Ik was iemand die om onopgehelderde redenen gedichten schreef. Eerder als
voorbijganger dan als dichter. Tja, leg dat maar eens uit…)

André van der Veeke

******************************

BLAUW ALS IJS

Ontsnapt aan kanker, hartfalen
aan de zuigende klei in zijn kamers
en aan alle gevaren van eigen verhalen
gaat hij zitten, de tafel een eiland
midden in de blinde winter van 1946

Alsjeblieft, de rivier lag toen dicht
Hij laat vergeelde foto’s neerdalen
Natuurgeweld op kiekjesformaat,
verkleumde schaduwen
en een halve voorbijganger

Op een uitvergrote foto zijn afkomst:
vader, moeder, negen kinderen
Hogeschooldressuur uit het verleden
Donkere, veel te mooie gezichten
Zuidelijke verwachting om ieders lippen

Dit is mijn engel, mijn oudste zus,
naar Australië geëmigreerd
Lachend: Meteen onder een auto gelopen,
en dood (Wandelt met duim en wijsvinger
door de diepe voren om zijn mond)

En dan terugkomend op het jaar 1946:
Op een avond brandde er licht,
blauw licht onder het ijs van de rivier
Van onze oever tot aan de overkant
Dat heb ik later nooit meer gezien

André van der Veeke
Uit: Blauw als ijs

Dit bericht is geplaatst in Biografie, Poëzie met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op Dwangarbeider van de poëzie

  1. Yvonne Wagenaar schreef:

    Wel, of het voor jezelf de moeite waard was weet ik niet, maar ik heb een bundel van je in de boekenkast staan en geniet daarvan. Je hebt er toch maar mooi iets van (wat dan ook) gemaakt!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.