Broeder, schrijf toch eens!

Ik ben een man alleen en schrijf

Een nieuw boek van Rinus Spruit (1946) uit Nieuwdorp, dat is na twee voorgaande succesnummers een gebeurtenis van jewelste. Volgende week kunnen we gaan lezen in ‘Broeder, schrijf toch eens!’

Voor zijn katten vindt hij het nog wel het ergste dat hij gaat verhuizen. Gelukkig overwegen de nieuwe eigenaren hen over te nemen. ,,Ik wil ook best een jaar het voer betalen, als dat helpt.”

Rinus Spruit woont ten oosten van Nieuwdorp. Zijn ouders lieten het huis in 1937 bouwen. Hij erfde het samen met zijn twee zussen en twee broers en is nu zo’n tien jaar de vaste bewoner. Vanuit het keukenraam is de akker met bieten maar twee meter weg. Het landschap in het grote raam van de voorkamer wordt verstoord door industrie en de drukke N62 naar de Westerscheldetunnel.

In zijn nieuwste boek ‘Broeder, schrijf toch eens’ vertelt Spruit hoe zijn hoofdpersoon – een dertien jaar jongere versie van de Rinus Spruit die nu als 71-jarige op de bank zit – besluit te verhuizen. Nog voor de roman echt is verschenen is dat verzonnen verhaal werkelijkheid geworden. Met een niet meer optimaal functionerende knie en heup is de tuin hem momenteel meer de baas dan andersom. Het familiebesluit was unaniem: het ouderlijk huis wordt verkocht. Inmiddels is dat gebeurd. De schrijver wil nu een huurwoning in Middelburg betrekken, het liefst in de buurt van het station en de bibliotheek. Zonder katten.

foto’s Mechteld Jansen

Rinus Spruit was een leven lang verpleegkundige buiten Zeeland. Tot tien jaar geleden, toen zijn moeder op 96-jarige leeftijd overleed en hij in het huis bij Nieuwdorp ging wonen. In 2008 stapte hij als schrijver op het toneel: ‘Zwieg stille’, was de titel van de roman. Hij vertelde daarin over zijn vader, die een leven lang als rietdekker werkte. Het boek was het ‘Geschenk van de Week van het Zeeuwse Boek’ en vond vervolgens landelijke verspreiding onder de titel ‘De rietdekker’. Theatergroep Zeelandia maakte er een toneelversie van. En er kwam ook een Duitse vertaling. De Duitse cover heeft hij ingelijst aan de muur hangen: ‘Der Strom, der uns trägt’. Vijf jaar later publiceerde hij ‘Een dag om aan de balk te spijkeren’. Ook die titel – met een hoofdrol voor zijn alter ego Maarten Rietgans – bracht hem succes in Nederland en Duitsland.

Vorige week nog zat hij in de ‘Schrijverstent’ op de Uitmarkt in Amsterdam. Omringd door vrouwen – hij laat de foto zien die ervan is gemaakt. Zondag moet hij naar Hilversum voor opnames van het boekenprogramma van de VPRO. En dan is er volgende week donderdag ook nog een presentatie in Vlissingen. Hij haalt een glaasje water. Als zijn stem het maar houdt.

De titel van het nieuwe boek is ontleend aan brieven van twee naar Amerika geëmigreerde zussen van zijn opa. Op het einde van hun leven verlangden ze terug naar Zuid-Beveland en hoopten dat hun broer iets van die door hen achtergelaten wereld tot leven kon brengen: ‘Broeder, schrijf toch eens!’

Op pagina 84 gaat het over ‘een man die aan de deuren van het verleden rammelt’.
,,Dat ben ik. Een vader-zoon boek, dat was mijn bedoeling. Ik heb het geschreven uit respect voor mijn vader. Ook uit een soort schuldgevoel. Toen ik een jaar of twintig was, heb ik een tijdje op hem neergekeken. Mijn vader was niet zo slim, mijn moeder was veel slimmer. Met dit boek wil ik uitdrukking geven aan dat schuldgevoel. Ik heb veel bewondering voor de man die in zijn eentje de kost moest verdienen voor een gezin van zeven. Het wrange is natuurlijk dat hij er geen weet van heeft dat ik hem nu probeer in de lucht te steken. Maar ik heb de behoefte. In de roman zit ik als 58-jarige in de keuken, ik kijk over het land, je leest wat er in mijn hoofd omgaat.”

Pagina 141: ‘Dit huis houdt me vast aan mijn verleden, (…) ik blijf maar in m’n gedachten met vader en moeder bezig’.
,,Mijn drie boeken gaan vooral over vader en zoon. Met dat onderwerp ben ik nu klaar. De uitdaging is over iets heel anders te gaan schrijven. Natuurobservaties, en hoe ik mensen tegenkom en spreek. Het moet een novelle worden, iets in de trant van Nescio, iets duns maar heel goed, waar geen woord te veel in staat.”

Pagina 8: ‘Ik ben een man alleen en schrijf verhalen. Ik ben de fotograaf van mijn herinneringen. Mislukte probeersels verfrommel ik en ik gooi de proppen papier op de grond’.
,,Ik schrijf met de hand. En vaak schrijf ik wel tien probeersels. Die proppen belanden op de grond. Ik probeer me beeldend uit te drukken, het zo op te schrijven dat je het ziet. Eerst heb ik overwogen: ‘Ik ben de boekhouder van mijn herinneringen’. Dat is ook mooi. Maar ‘fotograaf’ vind ik mooier. Ik ben immers ook een verwoed amateurfotograaf geweest.”

Pagina 21: ‘Ik voer een niet te winnen strijd tegen tijd en verval’.
,,Dat slaat op het schuurtje hier in de tuin. Het is tachtig jaar oud, mijn vader heeft het helemaal van riet gemaakt, het dak en ook de wanden. Helaas kun je tegen verval niet blijven strijden. Het schuurtje staat scheef, er zitten een paar gaten in het dak. Het bouwsel zegt me zoveel, ik ben er enorm aan gehecht. In het boek schrijf ik: ‘Het schuurtje staat symbool voor de geschiedenis van mijn vader en voorvaderen. Strodekken en rietdekken. Scheef hangen maar overeind blijven. Je rug buigen, maar niet je wil’.”

Pagina 67: ‘De bloedband’.
,,Dat gaat nogal ver bij mij. Door het schrijven aan dit boek raakte ik gefascineerd door mijn familieverleden. Ik ben op onderzoek gegaan naar mijn vader, mijn opa, naar oud-tantes in Amerika, naar Catharina, de zus van mijn opa. Het gaat om Spruitenbloed, ik voel me verwant met die mensen en probeer me met hen te vereenzelvigen. Met Catharina voelde ik me op een gegeven moment een beetje bevriend. Zij was de tante van mijn vader. In mijn boek heb ik een fantasieverhaal over haar geschreven, dat vrijwel zeker heel dicht tegen de waarheid aan zit. Hoe ze als jong meisje zwanger naar Antwerpen vluchtte, daar waarschijnlijk haar kind heeft afgestaan, later een dochter kreeg, Emma, die ik nog bij ons thuis heb gezien toen ik een jaar of vijf was. Catharina is in welgestelde kringen terechtgekomen. Hoe dat is gebeurd, heb ik geprobeerd te achterhalen.”

Pagina 86: ‘Wij zijn hier maar een poosje. De aardbol is een toneel. We voeren ons stukje op, ieder op zijn manier. Totdat we van het toneel af vallen en we plaats moeten maken voor een ander, omdat de ons toegemeten tijd voorbij is’.
,,De hoofdpersoon heb ik mijn eigen naam gegeven. Maar ik ben iets minder onnozel dan de Rinus Spruit in het boek. Als ik het leven van mijn vader overzie, dan vind ik dat hij het zwaar heeft gehad. Ik zou het lichter willen maken. Maar dat kan niet. Voor mijn vader ben ik een zorgenkind geweest. Lange tijd geen werk, geen vrouw. En veel klachten, terwijl ik kerngezond was. Later kwam ik vaak thuis. Ik was verpleegkundige en heb hen allebei tot de dood aan toe verzorgd, ze zijn thuis overleden.”

Pagina 147: ‘Ik kan de katten niet missen. Maar wat veel erger is: de katten kunnen mij niet missen. Ze zijn aan me gewend geraakt. De lapjeskat die in zijn mandje gaat liggen, die mijn hand likt als ik hem aai. Die ligt te spinnen en in zijn slaap geluidjes maakt. De zwarte kater die ik binnenlaat omdat hij staat te mauwen voor mijn raam. Die z’n eten opeet, op de vensterbank springt en weer naar buiten springt als ik het raam voor hem opendoe. Mijn zwarte kater die zich wentelt van buik op rug, heen en weer rolt van geluk als hij me met de auto ziet aankomen’.

**************************

Rinus Spruit: ‘Broeder, schrijf toch eens!’ – Uitgeverij Cossee, 160 pagina’s, 18,99 euro.

‘Broeder, schrijf toch eens!, de nieuwe auto-biografische roman van Rinus Spruit, wordt donderdag 14 september in Vlissingen gepresenteerd. Dat gebeurt om 17.00 uur in boekhandel ’t Spui. Oud-hoofdredacteur Andreas Oosthoek van de PZC gaat dan met de schrijver in gesprek over het begrip ‘Heimat’.

Meteen na de presentatie is het boek verkrijgbaar.

PZC 5 september 2017

Dit bericht is geplaatst in Proza met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *