Zeeuwse schrijvers (144): Hans Warren

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 144: Hans Warren.

De begraafplaats met het graf van het gedicht én met het graf van de dichter is  onderdeel van een wandelroute, een van de schaarse toeristische attracties van  Borssele. Jammer genoeg moet ik de wandelaars aanraden voorlopig thuis te blijven.

Geschonden graf
Hans Warren

door Mario Molegraaf

Altijd nam ik er een takje van mee naar huis. Mijn handen geurden nog dagen naar
de rozemarijn, heel de geheimzinnige geur van het Zuiden. Het struikje hoorde bij
Hans Warrens grafmonument. Ik liet hem eind 2001 begraven in het dorp Borssele,
het kerkhof waar hij vijftig jaar eerder zijn moeder had laten begraven. In een van
zijn langste en bekendste gedichten, ‘174’, opgenomen in de bundel Saïd (1957),
keert hij terug naar haar graf. ‘Het is vandaag woensdag 9 juni 1954,’ schrijft hij,
‘juist drie jaar geleden/ sinds we de kist het raam uitwerkten’. De merkwaardige titel
dankt het gedicht aan het nummer van het graf. Warren had vaak mooie gedachten
gehad over ‘dit welige kerkhof/ vol bladergeruis en warme geuren,/ aan de
korenakkers van mijn jeugd rondom.’ Bij zijn bezoek ontnuchtert hij: ‘Nu ik
eindelijk hier ben/ reken ik af met een nummer/ op een scheefzakkend betonnen
paaltje.’
De begraafplaats met het graf van het gedicht én met het graf van de dichter is
onderdeel van een wandelroute, een van de schaarse toeristische attracties van
Borssele. Jammer genoeg moet ik de wandelaars aanraden voorlopig thuis te blijven.
Bij mijn vorige bezoek stond het er nog, even scheef als in 1954, maar ineens blijkt
paaltje 174 verwijderd. De ‘kastanjetunnel der vergetenen’ uit het gedicht is niet
gekapt. De gammele ‘grijze zerken’ die Warrens moeder verfoeide, staan fier
overeind. Maar de befaamde Zeeuwse literaire locatie is bedorven.
Nog treuriger is dat men zich vergreep aan de rozemarijn op het graf van
Hans Warren, onmisbaar onderdeel van de grafbedekking. Het struikje, gezond en
door mij regelmatig gesnoeid, is zonder vragen afgezaagd. Inderdaad, zo’n actie heet
grafschennis, iets om verdrietig dan wel woedend over te worden. Nee, naamloze
ambtenaar, we gaan niet in discussie, u had eraf moeten blijven. De volgende keer
dat ik kom, staat dat paaltje 174 gewoon weer scheef op de juiste plaats en geurt
rozemarijn de bezoeker van Hans Warrens graf tegemoet. Dat hebben we nu toch
heel duidelijk afgesproken?

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *