Zeeuwse schrijvers 141: Peter Swanborn

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 141: Peter Swanborn.

Gerda (81) uit Stavenisse ontdekt als de dijk breekt dat de hel anders is dan ze zich voorstelde: geen vuur maar water.

*****************************

De hel is van water
Peter Swanborn

door Mario Molegraaf

Justus (33) uit Wolphaartsdijk, Trees (89) uit Anna Jacobapolder, Kleine Paul (14)
uit Terneuzen. Het zijn maar enkele van de personen aan wie Peter Swanborn
(geb.1963) een warm onderkomen bood in Een koud bad. De Rotterdamse dichter is
vertegenwoordigd in de pil van Pfeijffer, de befaamde bloemlezing. Maar niet met
poëzie uit dit boek, in 2009 verschenen in de Slibreeks, in mijn ogen zijn meesterwerk.

Swanborn debuteerde naar eigen zeggen in 2007, maar ik hield toch heus een
fraai verzorgd werkje van hem uit 1998 in handen met een lang gedicht Tot de dood
op zee. De bundel uit 2007, Bij het zien van zijn lichaam, bevat als je gul wilt zijn al
een Zeeuws getinte regel: ‘Een hotel anoniem als de snelweg/ naar Lelystad of
Zierikzee.’ Andere bundels van hem zijn Het huis woont in mij (2013) en Tot ook ik
verwaai (2009).

Maar laten we het over Een koud bad hebben, met gedichten waarin Zeeuwse
verdronkenen spreken, voor een belangrijk deel slachtoffers uit 1953. Eind 2008 liet
Swanborn zich opsluiten in een Vlissings kunstenaarscentrum, bevrijd van
energieslurper e-mail en tijdverpester televisie. Zo kwam zijn fantasie op gang, hij
dichtte de personages niet alleen een dood maar ook een leven toe. Augusta (58) uit
Serooskerke verklapt als lijk haar geheim: ‘Buurman was mijn grote liefde.’ Gerda
(81) uit Stavenisse ontdekt als de dijk breekt dat de hel anders is dan ze zich
voorstelde: geen vuur maar water. Voor de al genoemde Trees is het water eerder een
hemel, ze verdrinkt zich bewust om verlost te worden van het bestaan.
De opdracht die Swanborn zichzelf oplegde, pakte prachtig uit, bijvoorbeeld
in het tweeluik over een onbekende jongen en een onbekend meisje in Zijpe. De
dichter laat hem naar haar kijken: ‘Zo stil, wil haar hand pakken,/ maar mijn eigen
hand/ weet niet wat ik bedoel.’ Ze mogen wat mij betreft Swanborn vaker opsluiten, bij
voorkeur ergens in Zeeland, uiteraard zonder intrigant internet. Emiel (72) uit Kortgene
en Leonie (48) uit Oudelande zijn het postuum stellig met me eens.

Dit bericht is geplaatst in Biografie, Poëzie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *