Zeeuwse schrijvers 133: Herman Leenders

leendersMario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 133: Herman Leenders, de onofficiële stadsdichter van Brugge.

‘Dat land van kot en kavel/ Beton- en hinderpalen (…) Mijn duivenkotland/ Mijn varkensstrontland/ Mijn rolluikenland (…) Dromenland/ Dwingeland’

*****************************

Alibi voor poëzie
Herman Leenders

door Mario Molegraaf

Dit jaar heb ik hem voor het eerst helemaal niet gehoord, niet thuis, niet onderweg, de koekoek, de meest welkome migrant. Nog maar betrekkelijk kort geleden was het een even vanzelfsprekend als verrukkelijk geluid, en nu die trieste stilte, vanwege de gecompliceerde biologie van deze vogel waarschijnlijk voorgoed. Straks vliegt hij alleen nog rond in de poëzie, bijvoorbeeld de poëzie van Herman Leenders (geb.1960), momenteel de onofficiële stadsdichter van Brugge. Zijn ‘Koekoek’ vinden we in de bundel Ogentroost (1992). De dichter verlangt naar de ‘grijze roep’, ‘de holle klank van weemoed/ als van wind in een lege fles.’

Dat is mooi gezegd, zoals Herman Leenders al heel zijn literaire loopbaan, in 1982 begonnen met Mijn landschap, de dingen mooi weet te zeggen. Dat debuut had een tekenende titel: het landschap is een van de grote onderwerpen van deze auteur, een beetje vanwege zijn naam en vooral vanwege zijn werk een kruising tussen Herman de Coninck en Ed Leeflang. Zijn landschap is vooral het grensgebied, het Vlaanderen meteen achter Zeeuws-Vlaanderen, de omstreken van Maldegem, opgeroepen in het autobiografische prozaboek Het mennegat (1994), met plaatsnamen als Blakkeveld, Helle, Mollevijver, Galgenakker. Uiteraard gaat hij de grens soms over. Hij fietst op de dijken tussen Sluis en Cadzand, en beschrijft weer mooi wat hij te zien krijgt: ‘De blokjes goud liggen in het veld onder een blauwe hemel.’

Over zijn naaste omgeving heeft hij trouwens tegenstrijdige gevoelens. ‘Dat land van kot en kavel/ Beton- en hinderpalen (…) Mijn duivenkotland/ Mijn varkensstrontland/ Mijn rolluikenland (…) Dromenland/ Dwingeland’, lezen we in een lang gedicht uit Dat is wij (2013). Gelukkig kan hij uitwijken, naar de duinen, naar de zee, naar Zeeland. In het gedicht ‘Schouwen-Duiveland’ uit Landlopen (1995) heeft hij het over zijn vogelwaarnemingen daar: ‘Kluut gezien, strandlopers, mantelmeeuwen./ Er werd wel eens gelogen. Een dwaalgast/ kwam de dag wat spannender maken./ De zee glinsterde. Je had de zon in je ogen./ Het perfecte alibi voor poëzie.’ Maar de koekoek, de koekoek, met geen ornithologische fraude haal ik hem meer terug.

Dit bericht is geplaatst in Biografie, Poëzie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *