Zeeuwse schrijvers 129: Gerrit Achterberg

achterberglmietMario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 129: Gerrit Achterberg.

Zijn andere beroemde Zeeuwse gedicht ‘Reimerswaal’, je vindt het tussen ‘Lasser’ en ‘Klankleer’ in de bundel Limiet (1945), is sterker en beslist duidelijker geschreven volgens het Achterberg-systeem. Encyclopedie en poëzie tegelijk.

*************************

Google-poëzie
Gerrit Achterberg

door Mario Molegraaf

Men neme een woord en dan heeft men al bijna een gedicht. Ik had lang niet door het werk van Gerrit Achterberg (1905-1962) gebladerd, en pas nu valt me zijn werkwijze op, een soort Google-poëzie maar dan geschreven toen niemand nog aan Google dacht. Hij neemt een woord, liefst een woord dat meer naar exacte wetenschap dan naar poëzie riekt, een woord als asbest of autisme, radium of vacuüm, stuifmeel of globe, en begint dat te beschrijven.

Ik weet niet precies hoe het momenteel met Achterbergs status staat. Lang gold hij als dé dichter van Nederland, maar tegenwoordig is hij slechts een van de vele kandidaten voor deze titel. In elk geval schreef hij twee van de befaamdste ‘Zeeuwse’ gedichten. In de bundel Spel van de wilde jacht (1957) vinden we ‘Watersnood’ over de ramp van 1953, met meteen aan het begin beeldspraak die kunsthistorisch inzicht vereist: ‘Beelden van Zadkine stonden moeders daar/ babies boven de springvloed uit te beuren.’ Op deze, achteraf gezien misschien al te sentimentele toon gaat het gedicht verder.

Zijn andere beroemde Zeeuwse gedicht ‘Reimerswaal’, je vindt het tussen ‘Lasser’ en ‘Klankleer’ in de bundel Limiet (1945), is sterker en beslist duidelijker geschreven volgens het Achterberg-systeem. Encyclopedie en poëzie tegelijk. Via internet heb je tegenwoordig de feiten over de Zeeuwse stad, vanaf 1530 getroffen door de ene stormvloed na de andere en een eeuw later opgegeven, plus de volksverhalen over de klokken van Reimerswaal die nadien vanuit de diepte werden gehoord, snel bij elkaar. Gerrit Achterberg moest eindeloos veel meer moeite doen. Desondanks of juist dáárom schreef hij zijn geweldige en geheimzinnige gedicht:

Een, die zichzelf niet meer bezit,
is aan de mist geschonken.
Klokken zijn mee verdronken
en luiden dit
ononderbroken.
Maar niemand weet of ziet
de plaats, waar alles ligt gezonken.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *