Column: Oranje boven

janWe zitten  nog een beetje na te bibberen van koningsdag. Warm was anders. Maar toch is het elk jaar een hartverwarmend feest. Als je geen republikein bent. En dat ben ik niet. Deze column stond afgelopen woensdag in de PZC. Morgen was toen dus koningsdag.

Oranje boven

Morgen is Oranje. Bij mij thuis in Middelburg-Brigdamme wapperen de plastic vlaggetjes in de straat. Ik heb elk jaar opnieuw stille bewondering voor al die vrijwilligers, die hun trapje opklimmen om de versiering tussen bomen en lantaarnpalen te hangen.

Dat zijn toch maar de mensen, die om niet ons leven een kleurtje geven. Het aantal Oranjegezinde feestmakers neemt af in Zeeland, las ik eerder deze week. Daarom toch ook: extra hulde voor de nog wel actieve enthousiastelingen.

Het is overigens of de weergoden telkens wachten tot de slingers in de straat zijn opgehangen. Prompt dalen de temperaturen en waait de wind bijna ijzig uit een onverwachte hoek. Ik heb m’n winterjas maar weer van stal gehaald. Volgende week, hoor ik collega’s om me heen roeptoeteren, volgende week wordt het 23 graden!

Dat zal zijn, maar dan is mijn koningsdag 2017 al geschiedenis.

Ik ben – ik heb het nooit onder stoelen of banken gestoken – nogal royalistisch. Niet dat ik de vlag uitsteek. Sinds onze zonen hun middelbare school fraai hebben afgerond, meer dan tien jaar geleden, heeft het rood-wit-blauw nooit meer van onze gevel gewapperd.

Je kunt immers ook stil Oranje zijn. Gewoon, omdat zo’n koningshuis een prachtige traditie is. Eerst stadhouders en stedendwingers, mannen die hun zwaard lieten spreken. Zonder Maurits en Frederik-Hendrik hadden we onder de Westerschelde nooit over dat ‘eigen landje maar deel van Nederland’ gezongen.

De laatste twee eeuwen hebben we met koningen en koninginnen te maken. Een zegen, volgens mij. Ondanks alle affaires en uitschieters, alle miskleunen en strapatsen. Al die Oranjes hebben ons kille landje steeds net dat broodnodige beetje kleur op de wangen gegeven.

Het zijn net mensen. Neem nou prinses Beatrix. Toen ze nog koningin was kwam ze naar Middelburg voor het 250-jarig bestaan van de PZC. Zoals dat gaat: ze kreeg een jubileumboek. Zonder aarzelen sloeg ze de pagina van haar geboortejaar op. En wees naar de foto met de kraaiende baby: ‘Wat een bolle toet, vreselijk’.

Kijk, dat bedoel ik nou.

Dit bericht is geplaatst in Columns met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *