Tijd|Schrift voorjaar 2017

tijdschriftwzvlU ziet het al op de cover van het nieuwste Tijd|Schrift van de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen: we gaan terug naar de beginjaren van de Koude Oorlog. Het bouwsel dat zo fraai tegen de blauwe lucht staat afgetekend, is de luchtwachttoren van Eede. Vanuit zo’n toren moesten met het blote oog en oor Russische vliegtuigen worden gespot, die lager dan 1500 meter vlogen en daardoor niet door de toenmalige radar werden opgemerkt. Tussen 1951 en 1955 werden in heel Nederland 138 van dat soort torens gebouwd, opgetrokken uit gewapend betonnen raatbouwelementen. In Zeeuws-Vlaanderen stonden er negen. Daarvan zijn Eede-Aardenburg, Koewacht en Nieuw-Namen nog over.

Frank Dumez schrijft in zijn artikel ‘De Koude Oorlog in West-Zeeuws-Vlaanderen – Over luchtwachttorens en MUD palen’: ,,Het is dan ook opvallend dat Nederland en België in de periode 1949-1974 met zulke beperkte middelen de kustwateren moesten beschermen.” Want dat is natuurlijk wel het geval. Ik moest denken aan de Nederlandse soldaten die zich in 1940 per fiets moesten verplaatsen. Meteen na de oorlog zou vanaf uit betonelementen opgebouwde torens het Rode Gevaar tijdig gesignaleerd kunnen worden. We hebben het over het in 1950 opgerichte Korps Luchtwachtdienst (KLD). Die had tot taak ‘het signaleren, melden en blijven volgen van vijandelijke vliegtuigen die het Nederlandse luchtruim tot op een hoogte van 5.000 voet (1.500 meter) binnenvlogen.” Vandaar dus dat torennetwerk.

Dumez beschrijft ook, hoe dat in het echt in het werk moest gaan. Twee man zaten bovenin de toren. De ene boog zich over een landkaart en een statief met aanwijsnaald, om de positie van een vliegtuig af te lezen. De andere had via koptelefoon en microfoon verbinding met de torens in de omgeving en met de centrale. Het klinkt gebrekkig en dat was het ook. Dumez: ,,Een kenmerk van de Koude Oorlog is dat men in een moderne alles vernietigende oorlog met bijna naïeve en goedkope middelen oplossingen wilde vinden.” De observatietechniek met de torens stamde uit het begin van de Tweede Wereldoorlog. En was niet berekend op vliegtuigen met straalmotoren: ,,Bij de KLD was de tijd die men nodig had om de vliegtuigbewegingen door te geven groter dan de tijd die een straaljager nodig had om de afstand naar het doel af te leggen.”

Achteraf bezien kun je er om glimlachen. Maar het was bittere ernst. In Zeeland al helemaal, omdat de Westerschelde als toegangsweg naar één van de belangrijkste havens kwetsbaar werd geacht. De Russen zouden, als ze kwaad wilden, daar meteen mijnen droppen. Om dat gevaar te tackelen werd in 1949 de MijnenUitkijkDienst (MUD) in het leven geroepen. Die moest alle cruciale vaarwegen – naast de Westerschelde ook de Nieuwe Waterweg, het Noordzeekanaal en de toegang tot Den Helder – in de gaten houden. Langs de Westerschelde werden – aldus Dumez – een kleine honderd MUD-palen geplaatst. Op die paal kon een Pelorus worden gezet: een nautisch richtmiddel waarmee door kruispeilingen afstanden kunnen worden bepaald. Het idee was dat vanaf die palen de plaats van de inslag van een mijn op het wateroppervlak kon worden vastgesteld. Dan konden er mijnenvegers op worden afgestuurd. Bij oefeningen bleek dat de stroming de mijnen snel kon verplaatsen, zodat ze alsnog niet te traceren waren.

Bij de veerhaven van Breskens staat nog een door betonrot aangetaste MUD-paal. Dumez heeft vorig jaar een Pelorus 27-richttoestel op de kop kunnen tikken. Dat wil hij schenken aan een museum in West-Zeeuws-Vlaanderen. Een mooi gebaar.

Het bulletin van de West-Zeeuws-Vlamingen biedt nog een zeer lezenswaardig artikel. Lo van Driel stuitte tijdens archiefonderzoek op een handschrift: een brief uit 1796 van veertien West-Zeeuws-Vlamingen aan het Franse bestuur, waarin ze zich uitspreken tegen samenvoeging van hun regio bij de door Frankrijk geannexeerde Oostenrijkse Nederlanden – het huidige België. Te laat en tevergeefs. Maar daarmee is het wel een prachtig document. Een echte klaagbrief: over gedwongen leveringen, over belastingen, over verwaarlozing van de dijken. En over de indeling van het gewest bij het departement van de Schelde. De schrijvers nemen geen blad voor de mond. Van Driel weet – met hier en daar enige twijfel – de achtergrond van de veertien ondertekenaars te achterhalen. Het blijken stuk voor stuk rijke boeren te zijn, die betrokken waren bij het bestuur en het waterschap. Als kers op de taart krijgen we de volledige, hertaalde brief voorgeschoteld.

Het artikel van Simon Witgeest over ‘De Scheldekwestie, Zeeuws-Vlaanderen en de annexatie in internationaal perspectief’ is lang en gedegen. En het wordt vervolgd. Misschien dat dat tweede deel spannender wordt.

De jaarverslagen bieden voor dit weblog eigenlijk nooit iets wat het vermelden waard is. Tenzij de club failliet gaat of enorme reserves opbouwt. Mijn oog bleef haken aan de vermelding van een lezing op donderdag 27 oktober 2016: Hester van den Donk, oud-conservator van het Zeeuws Museum, hield een lezing over ‘eetgeheimen uit de kunst’. En dan het citaat: ,,Deze matige voordracht werd dienovereenkomstig bezocht.” Aanhalingstekens sluiten.

Tijd|Schrift, bulletin van de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen, jaargang 12, nummer 1, maart 2017.

 

Dit bericht is geplaatst in Heemkunde, Tijdschriften met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *