Zeeuwse schrijvers 124: Frits Hopman (1)

Portret-HopmanrandMario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer aflevering 124: Frits Hopman (1877-1932).

‘Het leek de verstarde kramp van twee vervaarlijke, voorwereldlijke reptiliën, in den kolderenden aanval gedood door den donderenden samenstoot van hun gepantserde drakenlijven.’

****************************

Schandaal aan de Schelde

Frits Hopman [deel 1]

door Mario Molegraaf

Geen halve maatregelen. Criticus Frans Coenen zag ‘gevaarlijke dingen’ en voelde zich bijna geroepen ‘dit boekwerk aan eenigen procureur-generaal te signaleeren ter inbeslagneming (…) Want waar gaan wij met onze maatschappij naar toe’ met deze ‘on-zeden’. De vermeende misdaad werd in 1918 gepleegd door Frits Hopman (1877-1932) met de roman voorzien van de veelzeggende titel Van de liefde, die vrij wou zijn en van een niet minder veelzeggende ondertitel ‘Roman uit Zeeuwsch-Vlaanderen’. Van 1915 tot 1918 doceerde hij Engels aan de Rijks Hoogere Burgerschool te Terneuzen. Zijn ervaringen daar inspireerden hem tot dit aanstootgevende boek, zij het dat de plaatsnaam werd veranderd in Niemenstad.

De roman begint onschuldig, met couleur locale, waarbij de belangrijkste kleur grijs is. Een late decembermiddag: ‘Boven het lage, zeeuwsch-vlaamsche polderland hing fijne nevel van de breede Schelde, en het ontzaggelijke watervlak en de lange, bazalten zeedijk achter troostelooze, kale schorren van grauw slib, gingen in mist en schemering verloren.’ Later beschrijft hij een winterse tocht met ‘de provinciale boot’ over de Schelde: ‘In een walgelijk grauwe brei dreven groote ronde schollen, omzoomd met grove klonten van natgeworden, half gesmolten, gigantisch suikergoed, bestrooid met glauberzoutkristallen.’ Gelukkig zijn er ook minder neerdrukkende seizoenen. Het gaat eveneens over ‘vocht-doffe Aprilnachten aan de wiergeurende oevers van de ontzaggelijke Schelde’.

Dezelfde hoogdravende taal hanteert Hopman om een ongeluk te beschrijven met de trein van Calloo naar Niemenstad, acht doden en dertien zwaargewonden: ‘Het leek de verstarde kramp van twee vervaarlijke, voorwereldlijke reptiliën, in den kolderenden aanval gedood door den donderenden samenstoot van hun gepantserde drakenlijven. De verminkte sneltrein-machine, een toren van donker staal, stond triomfeerend in den dood.’

Een van de passagiers, ongedeerd, is Marie Oosting, dochter van de apotheker en het enige meisje in de vijfde klas van de HBS te Niemenstad. Zij is het die voor schandaal aan de Schelde zorgt, daar is ze niet op uit, maar de opgewonden criticus wil het zo zien. De titel van de roman verklapt al iets, een volgende keer verklap ik de rest.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *