Portret Wessel te Gussinklo

wesselPZC van zaterdag 28 januari 2017

‘Mislukkelingen zijn het interessantst’
Portret Wessel te Gussinklo

Aan een doodlopende weg in Kamperland woont de gelauwerde auteur Wessel te Gussinklo. Deze week ontving hij de C.C.S. Croneprijs voor zijn gehele oeuvre. (foto Mechteld Jansen)

door Ondine van der Vleuten

In februari verschijnt Te Gussinklo’s roman ‘De Weergekeerde Bloem’, over een vampiristische vriendschap. Het manuscript beslaat zeven schriftjes, helemaal volgeschreven in een priegelig, nagenoeg onleesbaar handschrift. Het is grotendeels in één ruk geschreven, in negen maanden tijd. ‘De Weergekeerde Bloem’ gaat over een vriendschap tussen twintigers. De één schrijver, de ander liefhebber van literatuur. De dialoog met zijn vriend stelt de hoofdpersoon in staat helder onder woorden te brengen wat hem bezighoudt en wat hij met zijn schrijven wil. ,,Het is een caféliterator, zoals ik zelf tot mijn 33e ook was: veel praten, weinig schrijven. Het boek heeft meer van die autobiografische elementen. Zo’n vriendschap waarin je de ander idoliseert heb ik ook gehad. In het boek is het bijna een vampiristische vriendschap. Ze gebruiken elkaar, ze parasiteren. De vriend is een engelachtige, beeldschone jongeling. Er is voortdurend een soort spanning – zou er tussen hen iets ontstaan? Zou de vriend homo worden, of zijn? Dat blijft tot het eind onduidelijk.”

,,Ik was 22 toen ik zomaar uit het niets in drie maanden tijd een roman schreef. Voortreffelijk, maar kaaltjes vooral. Het is nooit uitgebracht. Een uitgever zei tegen mij: ‘ik vind het arm van taal’. Toen dacht ik – en dat komt in dit nieuwe boek terug : ‘dat kan ik veel beter’. Daar ging het mis. Opeens was de vonk weg. Elke dag ging ik naar het café en dronk en praatte over schrijven, maar er gebeurde niets. Toen ik 33 was, stopte ik van de ene dag op de andere met drinken. Dat was The year of crucifixion: het jaar waarin je tegen jezelf zegt: wil je als man stérven of als man léven?”

,,Als je niet meer drinkt, ontdek je dat de meeste mensen godvergeten saai zijn. Maar ik móet de deur uit om te schrijven, anders word ik gek. Elke dag zat ik in Utrecht in cafés, in cafetaria’s. Ik praatte met niemand. Ik dronk koffie, ik las de krant, ik schreef. ’s Avonds keek ik thuis een paar uurtjes televisie, Peyton Place of zo, om tot rust te komen. Om een uur of elf ging ik weer schrijven tot half vier ’s nachts. De volgende dag stond ik om een uur of twaalf op en begon opnieuw.”

In 1977 kwam ‘De Verboden Tuin’ af. Het kwam door omstandigheden pas in 1986 uit, maar werd toen wel direct bekroond. Inmiddels heeft de schrijver al vele prijzen ontvangen. Nog deze week werd in zijn geboortestad Utrecht de C.C.S. Croneprijs 2016 uitgereikt. De jury stelt dat Te Gussinklo sinds zijn debuut in 1986 een indrukwekkend oeuvre schreef dat behoort tot de top van de Nederlandse literatuur. Met ‘De Opdracht’ als hoogtepunt. Van dat boek verscheen onlangs de vierde druk.

Welke van uw prijzen is u het dierbaarst?
,,De ECI-prijs, omdat die werd toegekend door een zware jury. Ook de Bordewijkprijs is een belangrijke literaire prijs. Literaire prijzen voelen als erkenning en herkenning. Maar recensies zijn zeker zo belangrijk.”

Hij is nog maar net op. Nachtmens, altijd al geweest, verklaart Te Gussinklo. Een uitgesproken voorkeur voor de nacht, omdat die zo stil en rustig is. Het huis waarin Te Gussinklo in 2007 met zijn tweede vrouw Odilia neerstreek, staat op 11.000 vierkante meter grond. De dijk, de boomgaard, een schapenwei, een logeerhuis. ,,Odilia vond het maar niets. Dat moet je allemaal onderhouden, zei ze. Ik antwoordde: kan me geen donder schelen! Dan laat je het dichtgroeien. Al die grond is van jou! Heerlijk toch!”

Wat betekenen vrouwen voor je?
,,Schoonheid. Elegantie. Erotiek. Emotie. Het is maar een eenzaam heelal, alleen met mannen. Ik stel een vrouwelijke aanwezigheid zeer op prijs. Ik kan ongelooflijk vasthoudend zijn, die enkele keer dat ik iemand tegenkom die ik het waard vind. Toen ik verliefd werd op mijn tweede vrouw Odilia, heb ik een half jaar brieven geschreven. Ik reed speciaal naar haar huis om ze in de bus te gooien – dan kreeg ik eerder antwoord.”

En je eerste vrouw?
,,Ik was op een feest. Zij ook. Ik stond wat tegen haar aan te lullen. ‘Je bent dronken’, zei ze. Ik antwoordde: ‘Ben je besodemieterd!’ Waarop Jacomine zei: ‘Als je dat ontkent, wil ik niets meer met je te maken hebben. Het was niet het enige wat meespeelde, maar een week later besloot ik de drank te laten staan. Na die opmerking heb ik haar een jaar niet gezien. Wel schreven we elkaar regelmatig brieven. Wel tien vellen lang. Op een goed moment dacht ik: dit is onontkoombaar. Ik heb haar toen geschreven: ‘Jij bent mijn grote liefde en daar zal ik voor vechten!’ ,,Met Jacomine deelde ik karakter, ziel, geest, levensdoelen. Ze was mooi, maar door dat uiterlijk heen kwam intelligentie en daarmee kennis, begrip, verstand. Ik kon bij haar helemaal mezelf zijn.” ,,Jacomine was 53 toen ze plotseling overleed. Aan onontdekte leukemie. Ik stond met een kopje thee in de deuropening en voelde het direct: ze was dood. Hiroshima, noemde ik die gebeurtenis altijd. Ik dacht: ‘nooit kom ik meer iemand tegen van hetzelfde kaliber’. Ik keek ook niet om me heen. Ik was nergens op bedacht. Maar ik heb geluk gehad. Bijna zes jaar na het overlijden van Jacomine raakten Odilia en ik bij gemeenschappelijke vrienden in gesprek over muziek. Ik zei iets over Wagner. En ze begreep het! Wij konden over alle mogelijke dingen doorpraten. Ik dacht steeds: ‘wat is ze lief!’ ”

Geen van beiden afkomstig uit Zeeland – maar toch hier komen wonen. Waarom?
,,Jacomine was van huis uit een Middelburgse. Als kind ging ik nogal eens op vakantie in Domburg en later naar de boot in Veere. Odilia ging ook altijd naar Zeeland met haar ouders. Alle pijlen wezen naar Zeeland. Op een dag zeiden we: ‘Laten we eens gaan kijken of er geen leuke huizen zijn. Zo kwamen we hier terecht.” ,,Mijn oom was ook een Zeeuw. Jan Leunis Koole, later hoogleraar theologie in Kampen. Ik kom uit een gereformeerd nest, uit een wereld van dominees en dokters. Ik móest naar de kerk en belijdenis doen. Maar op mijn veertiende zag ik het al: het zijn sprookjes! Ze zijn gek! Ik werd geen dominee, zoals ze van mij verwacht hadden, maar het zwarte schaap van de familie. Tegelijk ben ik een vreselijke calvinist gebleven. Ontmaskeren is heel essentieel voor mij. Dubbele lagen, schijnheiligheid: daar prik ik graag doorheen. Ik kan het niet laten, ik heb een hekel aan opsnijderij. ”

Te Gussinklo steekt een sigaret op: Peter Stuyvesant. De lichtste variant. Nee, dan in zijn existentialistische periode: toen rookte hij zware Gauloises, drie pakjes per dag.
,Mijn leraar Frans van het gereformeerde Revius Lyceum was een christen-existentialist. In de laatste les voor de grote vakantie las hij iets voor van Sartre. Direct voelde ik een enorme verwantschap. In die tijd leefde ik zoals dat heet ‘in duisternis en onder schaduwen’. Hij legde uit dat iedereen zichzelf moet scheppen. Dat ze zichzelf niet zijn, niet echt, dat ze zichzelf spélen. Het is allemaal oppoetserij, begreep ik toen: Iedereen presenteert zichzelf zo goed mogelijk. Het voelt misschien wel echt aan, maar het is allemaal toneel. Dat proces waarin iedereen zichzelf voortdurend vormgeeft, dat beschrijf ik. Ik wil hun innerlijke roerselen in woorden vangen.”
,,Wat me het meest interesseert, zijn de mensen die op het randje zitten, die bedreigingen proberen te bezweren, die hindernissen proberen te overwinnen. Afwijkende mensen ook, mislukkelingen. Dat soort mensen kies ik als schrijver om te laten zien hoe de dingen werken. De meeste schrijvers geven handelingen, daden en dialogen weer: dat is de buitenkant. Ik wil trachten alle wervelingen, alle nuances te beschrijven van hun gevoelswereld. De innerlijke chaos. Daarom moet ik schrijven in complexe zinnen, want alles moet beschreven worden. Tot in detail. ”

Hoe houd je moed, met zo’n donker wereldbeeld?
,,Ik ben nogal depressief. Ik heb geen illusies. Als het om mijn mening gaat, weiger ik me aan te passen. Een waarheidssadist noemt Odilia me wel. Je moet illusieloos kijken. Daarná kun je illusies hebben, of meningen of wat dan ook, maar éérst: feiten, feiten, feiten. Toch, ik ervaar ook geluk. Liefde is geluk. Of, wat heel zelden voorkomt, als ik een paar goede bladzijden geschreven heb. Als ik geluk voel, is het heelal zichtbaar. Dan reiken mijn zintuigen tot de sterren.”

Paspoort Wessel te Gussinklo
(1941, Utrecht) studeerde psychologie en schreef als 22-jarige zijn eerste roman:’De expeditie’, waarvan alleen delen verschenen. In 1986 verscheen ‘De verboden tuin’ (Anton Wachterprijs en debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren). In 1995 volgde ‘De opdracht’ (Bordewijkprijs, Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en ECI-prijs). De roman ‘Zeer helder licht’ verscheen in 2014. In februari komt zijn nieuwe roman uit, ‘De Weergekeerde Bloem’. De schrijver heeft daarnaast een aantal essays op zijn naam staan, een novelle (‘Het Engeltje’) en een verhalenbundel (‘Heimwee naar de DDR’). Te Gussinklo woont sinds 2007 in Kamperland met zijn vrouw Odilia.

 

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *